Mijn dag met N.

Even voordat mijn jeugdvriend N. zich door een fatale combinatie van heroïne en whiskey van het leven beroofde, begeleidde hij me naar mijn ouderlijke woning, nadat ik aangerand was voor het antiekzaakje op een zonnige zaterdagmiddag.

Ach, mijn vriend N. Hij leed onder zijn vader, die als pater familias alle jeugdzondes van zijn kinderen eruit sloeg met zijn leren riem. N. was een gevoelige jongen. Hij kon uren staren als hij op zijn hurken zat in de tuin tegenover ons huis. Tijdens het lezen trok hij zich terug in zichzelf.

Al bijna een seizoen was ik met mijn fiets ’s ochtends vroeg naar het Bosbad gereden, waar ik met een haak in mijn nek op weg was naar diploma A. Het water was koud en unheimisch en in de diepte zocht ik mijn Eurydice. Ik kende de wereld niet of begreep haar niet goed. Maar de aanloop naar die stille diepten is vooral vast blijven zitten en ledigt zich na jaren in de woorden die nu zo netjes gerangschikt het maagdelijke papier vullen. Nooit had ik met mijn ouders gesproken over de fietstocht die ik ondernam naar die poel in het bos.

De laan liep langzaam omhoog en eindigde in een T-splitsing tegen de bosrand. Achter de bosrand was het spoorravijn dat maar op één manier genomen kon worden met de fiets, over het kippenbruggetje. Een smalle brug voor wandelaars en fietsers die doorgang verleende naar het pad aan de andere kant van het ravijn. Soms stond hij er, op onbewaakte ogenblikken, soms, geheel voorbereid, was hij afwezig. Een klein mannetje, wat gebogen in de heupen, behoorlijke leeftijd. Als ik langskwam, stak hij zijn arm uit op zadelhoogte. Hij zei niets of was stom. In de poel in het bos zocht ik hem op en sneed zijn geslacht aan flarden, waarna zijn ballen lamlendig aan de laatste stukjes vlees hingen. Eurydice was ik kwijt in die droom van het water. Inmiddels had de haak mijn hoofd verlaten en ik dreef bijna diagonaal door het water, waarbij ik mijn medezwemmertjes keer op keer aanstootte.

Mijn avonturen in de vroege ochtend culmineerden op die zonnige zaterdagmiddag. Met N. keek ik in de goed gevulde etalage. Schimmen bewogen zich in de winkelruit, totdat een schim zich losmaakte en een hand mijn geslacht van achter pakte.

Het antiekzaakje heb ik lang vermeden. Eurydice heb ik nooit meer gevonden.

Plaats een reactie