Om het bestaan op onze compound wat te verlichten, heeft mijn vrouw zich aangemeld voor Instagram om te kijken wat er te doen valt in deze hoofdstedelijke infrastructurele chaos, ooit gesticht in de 15e eeuw door de herder ‘Bucur’, letterlijk vertaald ‘vreugde’. (De lezer kan de ironie even laten voor wat ze is.) We kunnen kiezen: een herfstfestijn met pompoenen, een conferentie over edelstenen, een roeiwedstrijd op de Dâmbovița of een autorace in de stad. Je moet je kanalen weten om je vertier te vinden. Google geeft geen zoekresultaten bij ‘evenementen in Boekarest vandaag’ en ook ‘what to do in Bucharest’ biedt geen soelaas. Dus dan maar Instagram en … op naar de stad.
We nemen eerst een kijkje in de iconische boekhandel Cărturești Verona waar ik als achtergrondinformatie voor het personage Peet Grigorescu, over wie ik eerder schreef en zal publiceren, een boek met de memoires van Ana Blandiana koop. Ik neem gelijk haar verzamelde gedichten mee. Ana Blandiana werd in de jaren tachtig zwaar gecensureerd en geïntimideerd door hielenlikkers van het regime. Ze kreeg een publicatieverbod toen ze van Ceaușescu een karikatuur had gemaakt in de gedaante van de kater Arpagic (zilveruitje). De arrogante, gewichtige en bazige houding van het katje werd door lezers gezien als een humoristische en scherpe parodie op de Roemeense dictator. Arpagic gedroeg zich in haar moestuin als een Ceaușescu. Haar boek werd binnen enkele uren uit de boekhandel gehaald en er werd bevel gegeven haar boeken uit de bibliotheek te verwijderen. Het verbod ging gepaard met het afsluiten van haar telefoon, het onderscheppen van haar post en het bewaken van haar huis door de Securitate, tot 22 december 1989.
In een poging vanuit sector 1 de Armeense wijk in te lopen, worden we gestrikt door het bord ‘Welcome’ bij de Anglicaanse kerk, een opvallend roodbruine bakstenen gebouw ontworpen door de Roemeense architect Victor Ștefănescu in een typisch Britse, neogotische Victoriaanse stijl. Het staat er ondanks zijn afmetingen nogal eigenwijs in een knik naar het Grădina Icoanei, De Iconentuin. In de kerk is een rommelmarkt waar allerhande spulletjes worden verkocht om de geestelijkheid draaiende te houden; de moederkerk heeft de geldkraan dichtgedraaid. Ik kan de tweedehandsboeken en de donatie afrekenen via een elektronische betaalmachine. Ze gaan met hun tijd mee.
Bij de uitgang van de kerk wacht een aantal vrijwilligers mij op, onder wie een aardige, naar later blijkt Roemeense vrouw die in vlekkeloos Brits accent uitlegt dat ook over mij een archief van de Roemeens geheime dienst bestaat, de beruchte Securitate. Pardon? Ik denk dat ik het niet begrijp. Dat ik belangrijk ben, staat buiten kijf, ook al zet mijn vrouw me later op mijn nummer, maar dat hier mijn kortstondige bezoek in de jaren tachtig is vastgelegd in een archief, daar sta ik van te kijken. Ik heb haar net verteld dat ik in 1985 per trein een kortstondig bezoek aan Brașov bracht. Ik had wat verzorgingsproducten meegenomen, waaronder stukjes Fa zeep; ik wist dat de bevolking structureel werd uitgeknepen. Binnen de kortste keer zat mijn coupé vol.
De komende week zal in het teken staan van een bezoek aan het staatsarchief. In de vakantie die daarop volgt, zullen we op drie zilveruitjes passen. Ik houd mijn hart vast.

