Op een lentemiddag, na de eerste tekenen van het lichamelijke onheil, lag Peet op de intensive care en hij volgde een verpleger met zijn gezwollen oogleden. Hij had gedroomd van een vuilnisbelt met een stapel wiegjes en kinderbedjes waaruit de fragiele stammen van een aantal berkenboompjes groeiden. Hij had dit beeld eerder waargenomen of gedroomd, maar vanuit een ander perspectief.
‘En over vele eeuwen heen, laait de koorts die in mij woedt.’
De verpleger draaide zich om en keek Peet aan om ruimte te maken voor de tijd, het landschap, iets wat Peet niet kon thuisbrengen. Kennelijk dacht hij dat de man die achter hem lag niet in staat was om iets zinnigs te zeggen.
‘Niet belangrijk’, reageerde Peet. ‘Ik zie je morgen wel.’
Alsof Peet met zijn opmerking een code had gekraakt die toegang gaf tot alles wat heimelijk achter zijn gezicht verborgen lag, pakte de verpleger een stoel die bij het raam stond en draaide die naar het bed toe en ging met een zucht zitten. Peet keek een kort moment naar dat donkere gezicht met witte tanden en de iets afhangende ogen, maar al snel herpakte hij zichzelf, hulde zich in zelfschaduwen en voelde het aangetaste masker dat als bodembedekker op zijn gelaat lag. De verpleger woog zijn woorden.
‘Ik heb nog steeds niet het idee dat ik het aankan. Ik zit nog steeds vast. Dat ik mezelf niet ben. Maar ik moet ermee leren omgaan, want ik moet door met mijn leven. Ik heb veel familieleden verloren, een paar vrienden.’ De ogen van de verpleger volgden zijn gedachten en met zijn rechterhand pakte hij de stijl van het bed vast. Bij sommige woorden knikte hij langzaam. ‘Ik herinner de mensen niet meer, mijn stad. Ik moet blijven schrijven, om alles te kunnen onthouden. Ik ben zo bang dat ik alles vergeet, daarom schrijf ik ‘s nachts. Het ziekenhuis is een vluchtheuvel, een veilige plek voor even, maar ik heb deel aan de donkerte en de onschuld is opgelost. Ze vragen me waar ik vandaan kom, maar wat moet ik zeggen?’
De ontboezeming van de verpleger in bijna vlekkeloos Nederlands leek volkomen normaal, alsof twee goede vrienden elkaar na jaren weer zagen en de gang van hun stille conversatie spontaan voortzette. De verpleger stond op, raakte even de arm van Peet aan en liep de kamer uit. Het was niet zozeer dat hij hier lag, dat ze hem als een verloren kind zocht in een ziekenhuis, het waren de woorden van de verpleger die hem weer deden zoeken naar haar, zijn dochter, die hem omhelsde en hem wilde laten verdwijnen. Hij deed zijn ogen dicht en dacht aan de liftschaft die met een licht zeuren tot stilstand kwam in het mortuarium. Von guten Mächten wunderbar geborgen, erwarten wir gestrost, was kommen mach.
In de gang knipperde het licht en Peet zag een man met een witte jas staan, witte klompen en een groen katoenen hoedje dat wat scheef op zijn hoofd stond. Hij keek even achterom, gaf een knik en liep verder. Peet voelde zijn pols en de onregelmatige hartslag toen hij het gedempte geluid van water in een kelder hoorde klotsen. Geworteld en geborgen in de liefde van God klonk het door het water heen en we zullen haar missen en er was die plots losgezongen leegte waarin hij haar in zijn armen nam en ze samen naar voren liepen en de foto bekeken met dat licht dat van boven kwam.