Geheel onverwachts kwam hij bij me langs. Ik lag op de bank en was in slaap gevallen bij een stom programma op de Roemeense televisie. Ik hoorde eerst de wind en de regen, maar boven dat geluid uit een zacht geklop. Op dit uur en in dit weer zal niemand mij bezoeken, zo dacht ik half slaperig en ik wilde juist opstaan om in de keuken wat thee te halen, maar het kloppen hield aan en was nu luider. Mijn dochter sliep, mijn vrouw was op dienstreis en de deur was al op slot. Schoorvoetend en enigszins verontrust liep ik naar de deur en deed die van het slot. Ik verwachtte regen en een hele rij auto’s. We leven op een compound met twaalf aan elkaar gebouwde maar riante villa’s in Engelse stijl. Voor de de ingang van de ‘gate’ staat een bord met Rafael Little London, wat ik als een voorteken had moeten zien, toen we hier net kwamen wonen. De expats en Roemenen in deze doodlopende straat hebben het bovengemiddeld goed en laten hun huis vergezellen door dure auto’s die pal voor hun en ons huis zijn geparkeerd. De bewoners hebben twee parkeerplekken, de meeste zijn bezet. ‘Men troost ons, zeggend: Gods barmhartigheid reikt verder dan zijn wet.’ Bijbelkennis was een vast onderdeel van de christelijke school waarop ik zat, maar waarom juist nu deze woorden mij te binnen schoten, bij het opendoen van de deur, is mij een raadsel. Ik deed de deur open. Niemand. Er was niemand te zien. U denkt wellicht dat fictie met mij op de loop is gegaan, en u zit er niet zover naast. U denkt dat mijn kinderlijke ziel mijn leeftijd heeft ingehaald, wellicht. Maar nu zag ik niemand. Of ik zag eigenlijk mezelf staan, als buitenstaander. Mijn lichaam had mij verlaten, maar ik stond er nog. Ik ben geenszins aanhanger van het dualistisch materialisme, mocht ik al in de wetenschap verkeren die mij zo’n standpunt zou kunnen opdringen, maar ik zag mezelf toch echt staan, in de deuropening. Het leek alsof ik omgeven was met een andere, veel fijnere stof, noem het de stof van de ziel, waarin ik dacht te verkeren, en tegelijkertijd zag ik mezelf. Het onstoffelijke was omgeven met een fijn soort energie en nu ik begon te wennen aan deze fijnstoffelijkheid zag ik aan de overkant, dicht bij de Bentley van de buurman, een andere figuur staan. Hij maakte bewegingen met zijn arm dat ik moest komen en dat was zo vanzelfsprekend dat ik naar hem toeliep. Ik herkende Sebastiaan.
Iedere schrijver dient een dialoog in zijn verhaal te verwerken, al is het alleen maar ter stimulering van de authenticiteit van het verhaal. Maar Sebastiaan was stil. Zijn aanwezigheid zei genoeg, al kan ik niet goed uitleggen wat ik daarmee bedoel. Het gevoel van authenticiteit van het verhaal moet dan maar van u komen, waarde lezer.
Sebastiaan deed me niet erg denken aan de Sebastiaan van Mantegna, die in de warme uitstraling van het middagzonlicht staat, noch aan het schilderij van Sodoma dat in het Palazzo Pitti in Florence hangt. Bij Sodoma komt een engel in hemelse lichtstralen aanzweven met in de handen een nimbus die kennelijk voor Sebastiaan bestemd is. De regenplas voor de deur van de buurman kan onmogelijk voor het kleine vijvertje staan, waarin Sebastiaan zijn wonden wast. Nee, Sebastiaan leek toch erg veel op de afbeelding van dat 17e eeuwse Spaanse schilderij van die anonieme meester in het nationaal museum voor schone kunsten in Chişinău. Op een intrigerende achtergrond van nevelige wolken, bossen en silhouetten van gebouwen die zo karakteristiek zijn voor veel schilderijen uit de Renaissance, wringt Sebastiaan zich los, rukt één voor één de pijlen uit zijn dij en zijn borst en werpt hen achter zich in het gras, terwijl hij zijn witte lendedoek ontbindt. Deze Sebastiaan zag ik staan en naar mij wenken. Mannelijk, met de touwen waarmee hij vastgebonden zat nog rond zijn polsen. Toen ik hem dicht genaderd was, herkende ik mijn vriend in Sebastiaan. Dezelfde flegmatische, lome houding, de springerige blik in zijn ogen. Ik gaf hem een hand en volgde hem. We zeiden niets.
Niet lang erna ging mijn telefoon. Ik stond nog in de deuropening, het regende onophoudelijk. Mijn oudste dochter belde – ik krijg het bijna niet op papier – met het vreselijke nieuws dat mijn vriend die avond was overleden. Een hartstilstand.


