De bezoeker

Geheel onverwachts kwam hij bij me langs. Ik lag op de bank en was in slaap gevallen bij een stom programma op de Roemeense televisie. Ik hoorde eerst de wind en de regen, maar boven dat geluid uit een zacht geklop. Op dit uur en in dit weer zal niemand mij bezoeken, zo dacht ik half slaperig en ik wilde juist opstaan om in de keuken wat thee te halen, maar het kloppen hield aan en was nu luider. Mijn dochter sliep, mijn vrouw was op dienstreis en de deur was al op slot. Schoorvoetend en enigszins verontrust liep ik naar de deur en deed die van het slot. Ik verwachtte regen en een hele rij auto’s. We leven op een compound met twaalf aan elkaar gebouwde maar riante villa’s in Engelse stijl. Voor de de ingang van de ‘gate’ staat een bord met Rafael Little London, wat ik als een voorteken had moeten zien, toen we hier net kwamen wonen. De expats en Roemenen in deze doodlopende straat hebben het bovengemiddeld goed en laten hun huis vergezellen door dure auto’s die pal voor hun en ons huis zijn geparkeerd. De bewoners hebben twee parkeerplekken, de meeste zijn bezet. ‘Men troost ons, zeggend: Gods barmhartigheid reikt verder dan zijn wet.’ Bijbelkennis was een vast onderdeel van de christelijke school waarop ik zat, maar waarom juist nu deze woorden mij te binnen schoten, bij het opendoen van de deur, is mij een raadsel. Ik deed de deur open. Niemand. Er was niemand te zien. U denkt wellicht dat fictie met mij op de loop is gegaan, en u zit er niet zover naast. U denkt dat mijn kinderlijke ziel mijn leeftijd heeft ingehaald, wellicht. Maar nu zag ik niemand. Of ik zag eigenlijk mezelf staan, als buitenstaander. Mijn lichaam had mij verlaten, maar ik stond er nog. Ik ben geenszins aanhanger van het dualistisch materialisme, mocht ik al in de wetenschap verkeren die mij zo’n standpunt zou kunnen opdringen, maar ik zag mezelf toch echt staan, in de deuropening. Het leek alsof ik omgeven was met een andere, veel fijnere stof, noem het de stof van de ziel, waarin ik dacht te verkeren, en tegelijkertijd zag ik mezelf. Het onstoffelijke was omgeven met een fijn soort energie en nu ik begon te wennen aan deze fijnstoffelijkheid zag ik aan de overkant, dicht bij de Bentley van de buurman, een andere figuur staan. Hij maakte bewegingen met zijn arm dat ik moest komen en dat was zo vanzelfsprekend dat ik naar hem toeliep. Ik herkende Sebastiaan.

Iedere schrijver dient een dialoog in zijn verhaal te verwerken, al is het alleen maar ter stimulering van de authenticiteit van het verhaal. Maar Sebastiaan was stil. Zijn aanwezigheid zei genoeg, al kan ik niet goed uitleggen wat ik daarmee bedoel. Het gevoel van authenticiteit van het verhaal moet dan maar van u komen, waarde lezer. 

Sebastiaan deed me niet erg denken aan de Sebastiaan van Mantegna, die in de warme uitstraling van het middagzonlicht staat, noch aan het schilderij van Sodoma dat in het Palazzo Pitti in Florence hangt. Bij Sodoma komt een engel in hemelse lichtstralen aanzweven met in de handen een nimbus die kennelijk voor Sebastiaan bestemd is. De regenplas voor de deur van de buurman kan onmogelijk voor het kleine vijvertje staan, waarin Sebastiaan zijn wonden wast. Nee, Sebastiaan leek toch erg veel op de afbeelding van dat 17e eeuwse Spaanse schilderij van die anonieme meester in het nationaal museum voor schone kunsten in Chişinău. Op een intrigerende achtergrond van nevelige wolken, bossen en silhouetten van gebouwen die zo karakteristiek zijn voor veel schilderijen uit de Renaissance, wringt Sebastiaan zich los, rukt één voor één de pijlen uit zijn dij en zijn borst en werpt hen achter zich in het gras, terwijl hij zijn witte lendedoek ontbindt. Deze Sebastiaan zag ik staan en naar mij wenken. Mannelijk, met de touwen waarmee hij vastgebonden zat nog rond zijn polsen. Toen ik hem dicht genaderd was, herkende ik mijn vriend in Sebastiaan. Dezelfde flegmatische, lome houding, de springerige blik in zijn ogen. Ik gaf hem een hand en volgde hem. We zeiden niets. 

Niet lang erna ging mijn telefoon. Ik stond nog in de deuropening, het regende onophoudelijk. Mijn oudste dochter belde – ik krijg het bijna niet op papier – met het vreselijke nieuws dat mijn vriend die avond was overleden. Een hartstilstand. 

Het menselijk tekort

‘’Je bindt jezelf aan één persoon, één stad, als een kade aan een haven. Het kan elke kade zijn, elke haven. Je ziet ze voorbijglijden, de mannen die je hebt bemind, de vrouwen die je hebt gekend. Maar eigenlijk gaat het om één leven, jouw leven.’ Ze stopte even en zei: ‘Ach, weggaan en nooit meer terugkomen.’ Ze keek lang naar buiten, het was waar ze waarschijnlijk in geloofde. Ik begreep haar niet. Ik heb haar amper gekend, buiten die schaarse momenten van verstandhouding, dat ik haar opzocht, op de fiets, de stad ontvluchtend, richting Amstelveen, door het Vondelpark, het Amsterdamse bos, de vliegtuigen boven mij, de roeibaan, het leven dat zich hier afspeelde door de bezoekjes aan mijn grootvader. Ik trof haar aan in een statelijk fauteuil, groen, meen ik, met haar krant, vergrootglas, het prachtige zilverkleurige haar dat in een symmetrische knot op haar hoofd prijkte. In de familie ging het rond dat ze piano had gestudeerd aan het conservatorium. Ik heb haar daar nooit over gehoord, ik stond er ook niet bij stil waarschijnlijk, en ik kon het haar ook niet meer vragen. Vaak denk ik, met een zweem van spijt, waarom deze prangende vragen mij destijds niet bezighielden, en waarom ik niet doorvroeg. Ik sprak met haar over gewone dingen, politiek, het leven in een verzorgingstehuis. Tot ze viel, gebroken heup, ziekenhuis en lamlendigheid, en haar overlijden. Statig zit ze achter de piano bij het huwelijk van mijn ouders. Hún ouders staan er triomfantelijk naast. Wat zou ze gespeeld hebben? Mijn overgrootmoeder Carolina Amalia Scheepens Toekamp Lammers. Ze was de moeder van mijn grootvader; hij was haar oudste zoon. Ik heb haar gekend, ik maakte meubels in de Jordaan, ik deed maar wat. Ze stelde mijn bezoek op prijs. Dat moet aan het begin van mijn opleiding zijn geweest, want ze sterft op 2 november 1983 op 93-jarige leeftijd. Misschien ook net vóór die opleiding, want na mijn diensttijd ben ik in Amsterdam gaan wonen. Als haar tweede dochter, de laatste van haar vijf kinderen, overlijdt op 18 augustus 2018, krijg ik een schriftje in handen. In hoekige, klassieke letters wordt een familiegeschiedenis ontrafeld, herinneringen van de familie Toekamp Lammers staat erboven. Ze gaan terug tot de 18e eeuw. ‘Weggaan en nooit meer terugkomen.’ 

Hoe pijnlijk is het menselijk tekort. Dat is het beeld dat uit de familiegeschiedenis vorm krijgt, aarzelend in eerste instantie, als een primaat die nog gebogen loopt en zich heel langzaam probeert op te richten, totdat het zich, mens geworden, ten volle toont, en het beeld in beslag neemt. Het beeld van het menselijk tekort dat zich op zoveel terreinen laat zien. Je zou bijna denken dat die betekenisvolle woorden die mijn overgrootmoeder ter berde bracht, aan het eind van haar leven, aan het eind van generaties, uit het raam kijkend naar het oneindige, niet op haar sloegen, maar op de mensheid in het algemeen. Het menselijk tekort als tegenpool van vooruitgang. De ‘condition humaine’. Nu, bijna een halve eeuw later, rijst er nog een ander beeld op uit die geschiedenis: dat begrijpen een belangrijk element is in de strijd tegen het menselijk tekort.

Vrouwenpolder

In de bocht van het Veerse Meer, daar waar het meer, met onderbreking van een weg en wat duinpannetjes, overgaat in de Noordzee, met op de achtergrond de Oosterscheldekering, trekt de donkere en regenachtige lucht voorbij en tovert een blauwe en lichtbewolkte hemel met wolken die allengs oplossen. Straffe wind, dat wel. Wij vinden het tijd voor een ‘bakkie pleur’, de duiding voor koffie van onze Vlaamse vrienden in Boekarest die ons daarmee om de oren willen slaan dat dialect niet een typisch Vlaams verschijnsel is. 

Daar staat dan toch een koffietentje, eigenlijk een mobiele bus, maar met een espresso apparaat. Echte koffie dus. We nemen er een amandelcroissantje bij, dat we zullen delen. Voor ons spelen wat Duitse families, maar voor de rest is het eindeloze strand dat Vrouwenpolder accordeert leeg. 

Nu zou u kunnen denken dat dit wat autobiografische schetsen zijn van een schrijver die kortstondig een bezoek brengt aan Zeeland, wellicht uit nostalgische motieven. Niets is minder waar. Het gaat mij om een betrekkelijk korte uitwerking van een idee. 

Het leven beweegt zich altijd maar weer, in een stroom van steeds terugkerende gewoontes en buitenissigheden. Maar soms is er een moment van onbeweeglijkheid, daar waar het leven zich even terugtrekt en paradijselijk wordt. Je zit met je koffie en hoort de wind en de ademhaling en het zachte kloppen van je hart. Zo zitten we met onze koffie aan het tafeltje met voor ons dat eindeloze strand. 

In mijn ooghoek beweegt zich een wat oudere vrouw, nat. Zeker net gezwommen, denk ik. Ze zit op twee meter afstand een beetje zijdelings naar ons te kijken, die twee figuren die wij zijn, die, om de hete maanden in Oost-Europa te ontvluchten, de koelte van de Zeeuwse stranden opzoeken. Spontaan nodig ik haar uit bij ons plaats te nemen – het aanbod dat zij met een klein spoortje van reserve aanneemt – en deel ik al snel de helft van mijn amandelcroissantje met haar. Ik zie haar aan voor een leeftijdsgenoot, maar ze is een aantal jaar jonger. Ze blijkt in het dorp te wonen, Vrouwenpolder. Er ontspint zich een aardig gesprekje tussen ons. ‘Zwemt u hier vaak?’ ‘Alleen als de gelegenheid zich voordoet.’ ‘Bent u op de fiets?’ ‘Nee, die ben ik verloren.’ Ik hoor in haar antwoorden meer dan er is. Dat is toch heel aardig; niet gelijk met dat wijsvingertje beschuldigend de (mogelijke) dief van je fiets aanwijzen, maar de ruimte overlaten voor andere scenario’s, even ‘geleend’ bijvoorbeeld. Zo keuvelt ons gesprekje voort, totdat de ‘pleur’ geledigd is, het amandelcroissantje veroberd. Mijmerend lopen wij weer over het strand met die onmetelijke lucht die even geen mensenbemoeienis tolereert. ‘Wat een vage vrouw’, hoor ik mijn vrouw zeggen. Ik blijf even stil. ‘Nee, wijs’, riposteer ik. Voordat we er erg in hebben manifesteert zich een andere kijk op de werkelijkheid, op de dingen tussen ons. Of eigenlijk niet tussen ons, maar voor ons. Je kunt zeggen: mijn vrouw is realist en kijkt met nuchtere ogen naar de rauwe werkelijkheid. Mensen worden niet mooier dan ze zijn. Je kunt zeggen: ik ben idealist en nieuwsgierig en laat door de werkelijkheid de verbeelding spreken. Mensen worden mooier. Mijn vrouw zag stoppels op haar kin. Ik had ze niet gezien. Mijn glas is half vol, zoals ze het zelf wel eens bondig formuleert. Beter is, samen hebben we een vollediger beeld van de werkelijkheid, juist door onze verschillen. 

Ik ben benieuwd of ze mijn verhaal onderschrijft, of dat ik ook in dit verhaal opgesloten zit. Een gemis dat ze weer naar Boekarest is. 

Het continent van weleer

Mijn vriend schreef: ‘Niemand fronst zijn wenkbrauwen als een Rembrandt wordt onderhouden met grote professionaliteit, zorg en hoge (subsidie verslindende) kosten. Dat snapt iedereen. Waarom moet de klassieke muziek, deze oude, kunstzinnige kunstvorm het dan zo ontgelden?’ In het bericht reageert mijn vriend op de passages over klassieke muziek (een door de verteller ‘meelijwekkend relict’ genoemd) in het door hem overigens bewonderde boek Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer.

De klassieke muziek als metafoor voor de teloorgang van de Europese cultuur. Ik raakte betrokken bij het onderwerp toen mij door dezelfde vriend werd gevraagd pagina 512 van het boek van Pfeijffer nog eens te lezen. En er kwam nog een aanleiding bij. Stine Jensen schetst in het NRC van 14 februari jl. (Het is uit met Amerika) een beeld van een Europa met een ‘cultuur in overvloed om te reanimeren’. Want, zo schrijft Jensen, ‘die ligt, als we de magistrale roman van Ilja Leonard Pfeijffer Grand Hotel Europa als culturele leidraad nemen, aan de beademingsapparatuur.’ Europa heeft cultuur in overvloed om uit te kiezen. 

Ik kocht het fenomenale boek van Pfeijffer vrij snel na publicatie en inmiddels al behoorlijk wat jaren staat het boek op zolder fictie te zijn, net als een aantal andere boeken van dezelfde schrijver. Ondanks de bijna lyrische toon in het boek bij de capricci voor viool solo van Paganini, legt de schrijver een behoorlijke claim op een ‘continent dat meer historie heeft dan toekomst en dat volledig door zijn verleden wordt gedefinieerd en bepaald’ (p. 393 vierde druk). De klassieke muziek wordt daarin als pregnante metafoor ingezet. De verteller met de naam Ilja Leonard Pfeijffer heeft zich in Italië gevestigd en maakt notities voor een roman. We worden als lezer niet alleen deelgenoot gemaakt van deze notities, maar de verteller anticipeert op de lezer door hem in het boek aan te laten dringen op nog meer uitingen. Alsjeblieft meneer Pfeijffer, de ontboezemingen zijn particulier, maar ik hang aan uw lippen en wil het volledige verhaal, zo lijkt de lezer te denken. Een postmodernistisch verhaaltechnisch grapje dat met ons wordt uitgehaald.

Ik schreef een aantal jaar geleden, naar aanleiding van de laatste stuiptrekkingen van onze boekenclub: In Grand Hotel Europa keren niet alleen enkele thema’s uit La Superba terug, zoals het migratievraagstuk, de twee romans vertonen een vergelijkbare compositie en verteltechniek. In beide werken is het hoofdpersonage, dat tevens de verteller is, een Nederlandse schrijver met de naam Ilja Leonard Pfeijffer. Hij heeft zich in Italië gevestigd en maakt notities voor een roman. Die ‘notities’ krijgt de lezer te zien. Kenmerkend voor de vertelstijl zijn dan ook ironie en metafictie: de twee romans maken ons voortdurend duidelijk dat ze fictie, dat ze verhalen zijn. Sterker nog, ook de werkelijkheid zelf is opgebouwd uit fictie en verhalen. De fascinatie voor die problematiek maakt Pfeijffers werk verwant met het postmodernisme. Door de manier waarop hij het spel van fictie en realiteit combineert met maatschappij-betrokken onderwerpen, gaat hij echter tegelijk voorbij aan dat postmodernisme.

Pagina 512, met het funeste oordeel, wordt ingeleid door pagina 511. Er staan veel zinnen in die niet zover van de waarheid liggen. Ik noem er een paar: ‘De vernieuwende muziek van de Tweede Weense School en van Stravinsky uit het begin van de twintigste eeuw klinkt, hoewel ze inmiddels ook alweer ruim een eeuw oud is, nog steeds te modern in de belegen oren van het hedendaagse concertpubliek.’ ‘Als er iets symbool kan staan voor de ziel van Europa, dan is het wel de hedendaagse opvoeringspraktijk van klassieke muziek, die zich volledig concentreert op zo getrouw mogelijke heropvoeringen van meesterwerken uit het verleden.’ Niet helemaal onwaar, lijkt me. Op pagina 512 staat ook: ‘En als dit een concert voor Montebello was, wat het was, was het allemaal nog toepasselijker, omdat de beslissing hem te handhaven als majordomus een overwinning was van de romantiek en de nostalgie op de praktische toekomstgerichtheid van een prozaïsch en stijlloos heden, en precies zo klonk ook de muziek.’ Prozaïsch en stijlloos heden resoneert het nog een tijdje. Het lijkt erop dat we niet anders kunnen dan teruggrijpen naar de tijden van het romantische weleer. En dan komen inderdaad die zinnen over de klassieke muziek als ‘meelijwekkend relict, een mummie die tegen beter weten in aan het infuus wordt gehouden, omdat niemand durft te zeggen dat hij al meer dan een eeuw dood is.’ Ik hoef het niet op te nemen voor het hoofdpersonage (of voor mijn vriend), maar deze zinnen staan in relatie tot de thematiek van het boek. Juist door de meerduidigheid van het verhaal, de lyrische toon voor de capricci voor viool solo van Paganini, de overladen (en voorbije) cultuur tegenover een stijlloos (en consumentistisch) heden en misschien ook wel door het onlangs gehouden pleidooi van de schrijver voor het behouden van de universitaire opleiding Italiaans door juist een beroep te doen op onze cultuur. Het oude continent Europa dat in zijn voegen kraakt en gereanimeerd moet worden. Europa moet zichzelf hervinden en herpakken met een cultuur in overvloed. Om in de woorden van mijn vriend te bijven: het kwetsbare en intelligente kind moet zich weren tegen grote jongens met waffels. De metafoor voor de culturele oorlog in deze post-waarheidswereld. 

Het vrijend paar in een tuin

In het fotoboek Eye love you uit 1977 (Ed van der Elsken) vind ik de foto van ‘het vrijend paar in een tuin’, Edam (1970)’. De foto is veelzeggend. Je ziet een polder net achter de dijk, een oneindige, zonnige en onbewolkte Nesciaanse dag, waarin een man en vrouw vrijen op een blauw kleedje. Het stukje grond verleent vriendschappelijkheid aan een bruine schuur, waarvan de deuren uitnodigend openstaan, een woonwagen die de kijker vraagt zijn bezigheden te stoppen, plaats te nemen en het leven te vieren, én een gele kruiwagen, nonchalant neergezet op het levensbed van aromatische kruiden en grassen. Op de weg net achter de dijk rijden twee mensen onwetend en eenzaam op een scooter, onwetend van de gastvrijheid die achter de schuur ons als kijkers door Van der Elsken gegund is. Een vrijend paartje in het gras als toevallig (waarschijnlijk niet voor hen, of misschien ook wel) symbool voor de ‘vrije liefde’, die eind jaren zestig populair is als onderdeel van de seksuele revolutie. 

Geschiedenis blijft een geconstrueerd verhaal achteraf en zodoende zijn foto’s wellicht de enige betrouwbare, objectieve bron. Daar is echter veel op af te dingen. Ook foto’s zijn tot stand gekomen tijdens momenten die ertoe deden; fotograferen was een particuliere, toch best dure en weinig frequente bezigheid. Op bijzondere momenten en tijdens vakanties werden na enig instellen en nadenken foto’s genomen, die dan ontwikkeld moesten worden in een fotozaak. Na lang wachten kreeg je mooie envelopjes met glanzende afbeeldingen, waarin weer voor even de vakantie of het familie-uitje kon worden herbeleefd. (En hoe verschillend met hoe we nu te pas en te onpas elk huiselijk hoogtepunt vereeuwigen op onze iPhone, alsof het hiernamaals vraagt om een goed gedocumenteerd maar bovenal fascinerend bestaan.) 

Wat is nu de relatie tussen de foto van Van der Elsken en de werkelijkheid die op dat moment door hem is vastgelegd? De vraag wordt me ingegeven door het fotootje van mijn overleden vader op het dressoir in de huiskamer. Wat is de relatie tussen de foto waarop hij zo stralend in zijn slobbertrui staat en zijn bestaan, nu hij niet langer een werkelijkheid is die op zichzelf bestaat. Ik zal mijn vader nooit meer terugzien. De werkelijkheid die Van der Elsken met ‘het vrijend paar in een tuin’ ons wil geven, geënsceneerd of niet, deze Nesciaanse dag in Edam, is vergeven, is tussenstation en eindbestemming geworden. Laat ik verhelderen. Dat vrijend paartje, op die plaats, in dat gras, is getransformeerd in een symbolische werkelijkheid. De werkelijkheid van de foto is niet langer een werkelijkheid die voorhanden is. Zo gaat dat met een foto. De symbolische werkelijkheid van dat eeuwige Nesciaanse beeld van landelijkheid is niet langer meer een werkelijkheid die op zichzelf bestaat, maar die geheel en al afhankelijk is van symbolen die naar het beeld verwijzen en het beeld kunstmatig in leven houden. De afhankelijkheidsrelatie die tussen symbool en het landschap bestond toen het nog daar was, is in en door het symbool fundamenteel gewijzigd. Symbolen zijn niet langer afhankelijk van de werkelijkheid waarvoor ze staan, de werkelijkheid (in casu dat landschap Edam in 1970) is afhankelijk van symbolen. Het landschap overleeft zijn eigen einde enkel en alleen doordat het voortleeft in en door symbolen. Het landschap leeft voort in zijn naam en zijn foto. Symbolen zorgen als het ware voor een kunstmatige beademing. Het landschap dat Van der Elsken ons laat zien, het vrijend paartje, de bruine schuur, de gele kruiwagen, is een louter symbolische werkelijkheid geworden, en daarin lijkt het nu meer dan ooit boven tijd-ruimtelijk, eeuwig zo u wil. Teken van het goddelijke.

Ecce homo

Al gauw maken we uitstapjes naar de onverkwikkelijke jeugd van mijn moeder. Hoe vaak opgenomen in het ziekenhuis? Hoeveel ernstige ziektes? Hoeveel verwachtingen voor het leven? De vier zussen, van wie mijn moeder de oudste is, komen in een gefrustreerd gezin terecht. Geen voetballertjes voor AFC, zeg maar. Een vader, mijn opa, met een eenvoudige baan. Zijn eigen vader Peet was een tamelijk gefortuneerde tabakshandelaar met een stevig pand in Hilversum, zijn moeder Caro had het conservatorium piano gedaan. Peet leefde van 13 februari 1884 tot 27 november 1964. Caro van 14 maart 1890 tot 2 november 1983. Ik ging weleens bij haar langs toen ik in Amsterdam studeerde. Een krasse in politiek geïnteresseerde dame met prachtig opgestoken grijs haar als een suikerspin. Vijf kinderen hadden ze, van wie mijn opa de oudste. Ik schrijf het maar op, voordat de tijd alles verteert en verslindt. Het oudste kind was Joop, mijn opa (9 juni 1913 – 19 juni 1995), het tweede Hans (29 oktober 1914 – 15 oktober 1999), het derde Lieneke (de lieverd, dat herinner ik me goed, 8 juni 1916 – 22 oktober 1999), het vierde tante Riet, nog een lieverd (29 juni 1922 – 18 augustus 2018). Riet stierf toen ik aan het onderhandelen was in Kroatië over de televisie, die mijn vrouw had laten vallen bij het verschuiven van het kastje waar het ding opstond. Het jongste was Boelie (16 december 1924 – 5 augustus 2002). Mijn opa, Joop, werkte ruim veertig jaar bij de KLM. Hij was chef vrachtvervoer. Onderaan dat lijstje van Claudi, de man van Riet, die er blijkbaar een genoegen in schepte bijna alle familieleden te voorzien van een geboorte- en sterfdatum, staat mijn moeder Flopke. Ze is geboren op 25 december 1939 en in onze handen gestorven op 26 november 2012. We begeleidden haar al zingend de vormeloosheid in. 

Haar blik heeft slechts oog voor mij.

Mijn moeder is geboren in de Okechemstraat in Amsterdam-Zuid, achter het Concertgebouw. Ze is gestorven in het Academisch Ziekenhuis Utrecht, een paar uur nadat ze na een black-out gevallen was op de antieke tegeltjes in de keuken. Door de bloedverdunners en de alcohol is haar bloed als een razende door haar schedel gesijpeld. Zelfs toen ze opgebaard lag, bleef ze doordruppelen uit haar oor, alsof ze ons nog even nadrukkelijk wilde wijzen op haar aanwezigheid. We zaten om haar heen op de kerkbanken, dronken kopjes thee en maakten haar oor schoon. Na de val heeft ze nog een wijntje gedronken, is op bed gaan liggen, kreeg hoofdpijn, werd doof en nog voordat ze door de ambulancebroeders van de trap werd gedragen, was ze al buiten bewustzijn. Opkomst en ondergang gaan met tranen, ecce homo. Ik ken mijn moeder van gebroken benen, van verwaarloosde poezen met vlooien, van drank, van het kind dat ik was, van haarstukjes en namaakwimpers, van het boekje dat niet voor mij bestemd was, van grote potten thee met vier theezakjes, van verhalen over Frank Sinatra en Ziggy Stardust, van een groots en ook roemloos leven. Je moet het geloven. 

Alleen ik weet wanneer ze het koud heeft. 

De melancholische avondjes draaide om Franse chansons. Ik bonkte met mijn hoofd op het kussen. Mijn stapelbed werd tot aan de schroefjes uit elkaar geschoffeld, totdat ik van vermoeidheid in slaap viel. Functioneel, dat zeker. Maar ook de geruststelling van het bewegen, de latente, opgekropte gevoelens voor mijn ouders en de zekerheid van een klein universum waar ik door ritmische herhalingen het zelf voor het zeggen had. 

Zahra

Als ik opeens naar die opgetutte vrouwen kijk, voel ik verontwaardiging. Dat is een understatement. Ze staan voor de foto van Zahra Mahmoud, een 5-jarige Syrisch meisje, vluchteling uit Deir ez-Zor, in een tentenkamp aan de rand van Mafraq. De foto is genomen is 2016. Zahra kijkt recht de camera in, met haar lege ogen. Haar truitje is vuil, er zit een zwarte veeg op haar kin. Ze heeft twee staartjes, die vastgemaakt zijn met roze elastiekjes en roze beertjes. 

Mijn weerstand tegen de twee dames, die een selfie maken voor het portret van Zahra, komt voort uit twijfel aan hun inlevingsvermogen. Deze vrouwen interesseren zich niet wezenlijk voor vluchtelingen uit Syrië, voor Zahra. Hoe zouden ze optreden als ze oog in oog kwamen te staan met de hulpbehoevende vluchtelingen in Mafraq? Ik meen te weten dat je niet zo, voor de foto met persoonlijke ellende, een selfie moet maken. Het geeft geen pas om met een mobieltje opnames te maken van jezelf met de verpersoonlijking van het drama op de achtergrond. 

Ik spreek ze erop aan. Ik ben verontwaardigd. Deze naïeveling uit beschavingsparadijs Holland zal deze opgetutte Roemeense vrouwen wel eens even vertellen dat je toch van heel ver moet komen om hier openlijk te paraderen met die ellende als filmisch behang.

Ze staan me keurig in het Engels te woord. Ze zijn beschaafd en vertellen me dat dit juist hun bedoeling is. Mijn verontwaardiging druipt af als een geslagen hond. Onze beschaving mag weten in welke ellende sommigen leven, zeggen ze zelfbewust. Als vertegenwoordigers van die slaperige beschaving zien ze zich zo geroepen het contrast zo groot mogelijk te maken en zo die beschaving uit haar winterslaap te halen. Juist daarom hebben ze hun mooiste jurk aangetrokken, hebben ze zich opgemaakt, maken ze een selfie. 

Eenmaal thuis lees ik weer eens wat over ethiek. Ik lees Levinas, Hannah Arendt, Martha Nussbaum. Hoe verhoud je je tot de ellende in de wereld? Hoe verhoud je je tot Zahra? Zahra is nu acht jaar ouder. De fotograaf heeft twee keer per jaar contact met het meisje, vertelt zijn vrouw. Ze behoort tot een verloren generatie, ze gaat niet naar school, zoals zovelen. Ik blijf maar met vragen zitten. 

Hoe kun je oog hebben voor het lijden van anderen, als je zelf nauwelijks ervaring met dit lijden hebt? 

Hoe moet je de leegte in een mens herkennen? Kun je die meten? 

Foto: Muhammed Muheisen

Hemelwaarts

Ik had me voorgenomen dan maar te lopen. De eerste optie om een Uber te nemen, was op niks uitgelopen en er ging ook geen bus op zondag. Bellingham ligt doordeweeks dan wel als opgeklopte room aan de Tyne, maar op deze laatste dag van de week is het dorp niet meer dan een laagje aangedikt melkvet, weggezet in de koelkast.

Kwart voor negen loop ik weg bij het Riverdale Hall Hotel en neem de weg die ik gisteren bijna hemelwaarts ging. Het is grijs maar toch benauwd. Ik leef in de veronderstelling dat alles precies moet zijn zoals het is. Als er geen Uber of bus beschikbaar is, dan ligt het in de verborgen bedoeling om te lopen. Je kunt alles als contingent of niet-noodzakelijk kwalificeren (en dus vrij), toch heb ik de redelijke overtuiging dat zaken gaan zoals ze gaan en dat een wijs mens zich daarbij neerlegt.

Het bewijs daarvan wordt snel geleverd. Net voorbij de eerste heuvel komen vijf honden mij blaffend tegemoet. Ik ben wat buiten adem om mijn angst voor honden volledig toe te laten, en honden lopen niet los als ze gevaarlijk zijn, denk ik gauw. Er is een duidelijke hiërarchie in het groepje. Gealarmeerd door de honden verschijnt de boerin in peignoir om ze tot de orde te roepen. Het zijn echter niet de honden die voor haar aanleiding zijn naar buiten te komen, het is de revelatie zelf die meegedeeld moet worden. Het verhaal is treurig. Op welke manier kan het vroegtijdige overlijden van je zoon door een hersentumor betekenis krijgen? Ze heeft antropomorfe verklaringen voor de dingen die ze ziet en meemaakt. De regenbogen, dezelfde gezichten die ze herkent in de wolken, de lichtflitsen boven het uitgestrekte land als ze opeen ‘s nachts wakker wordt. Ze neemt foto’s van de fenomenen en laat ze als bewijs aan de plaatselijke priester zien. Onomstotelijke wonders die in het teken staan van de dood van haar zoon is de conclusie. Alle verschijnselen worden voor haar met een bedoeling veroorzaakt en zijn tekenen van leven na de dood, en ik ben getuige van dat relaas. Mijn gedachten gaan naar het college over het christendom, een van de tweehonderd sektarische bewegingen aan het begin van onze jaartelling. Ook met het kruis werd een onzinnige dood betekenisvol. Voor je het weet heb je een godsdienst, denk ik als ik weer verder loop.

De waarheid over het meisje dat valt

Met acht jaar krijg je een nieuwe fiets. Nog enigszins wankelmoedig stap je op de tweewieler, maar na twee bochtjes ben je al behoorlijk zeker. En na een week ben je vergroeid met het zadel. De fiets is zacht zeegroen, het rekje voorop prijkt trots aan het stuur. De lichtjes geven licht door ze aan te drukken, dat had je snel in de gaten. ‘Drie versnellingen’, zeg je trots. En toch gaat het mis. Opgroeien gaat met vallen en opstaan, maar het kan echt helemaal misgaan. Want als je opgroeit, verken je de weg, doe je net iets meer dan je aankunt.

De stoeprand was te hoog, je viel. En ze rijden daar zo onredelijk hard met hun grote auto’s. Het verhaal stopt hier. Ze is inmiddels begraven. Haar lievelingsjurkje wappert elke nacht voorbij, als een jonge vogel die wilde vliegen, maar niet verder mocht. Jouw gezicht zal mijn gezicht plooien. De vraag wat ik had kunnen doen, zal met mij meegaan op mijn grote reis, en in de ogen van het meisje in Gaza, zie ik mijn eigen meisje, wie dan ook.