Zahra

Als ik opeens naar die opgetutte vrouwen kijk, voel ik verontwaardiging. Dat is een understatement. Ze staan voor de foto van Zahra Mahmoud, een 5-jarige Syrisch meisje, vluchteling uit Deir ez-Zor, in een tentenkamp aan de rand van Mafraq. De foto is genomen is 2016. Zahra kijkt recht de camera in, met haar lege ogen. Haar truitje is vuil, er zit een zwarte veeg op haar kin. Ze heeft twee staartjes, die vastgemaakt zijn met roze elastiekjes en roze beertjes. 

Mijn weerstand tegen de twee dames, die een selfie maken voor het portret van Zahra, komt voort uit twijfel aan hun inlevingsvermogen. Deze vrouwen interesseren zich niet wezenlijk voor vluchtelingen uit Syrië, voor Zahra. Hoe zouden ze optreden als ze oog in oog kwamen te staan met de hulpbehoevende vluchtelingen in Mafraq? Ik meen te weten dat je niet zo, voor de foto met persoonlijke ellende, een selfie moet maken. Het geeft geen pas om met een mobieltje opnames te maken van jezelf met de verpersoonlijking van het drama op de achtergrond. 

Ik spreek ze erop aan. Ik ben verontwaardigd. Deze naïeveling uit beschavingsparadijs Holland zal deze opgetutte Roemeense vrouwen wel eens even vertellen dat je toch van heel ver moet komen om hier openlijk te paraderen met die ellende als filmisch behang.

Ze staan me keurig in het Engels te woord. Ze zijn beschaafd en vertellen me dat dit juist hun bedoeling is. Mijn verontwaardiging druipt af als een geslagen hond. Onze beschaving mag weten in welke ellende sommigen leven, zeggen ze zelfbewust. Als vertegenwoordigers van die slaperige beschaving zien ze zich zo geroepen het contrast zo groot mogelijk te maken en zo die beschaving uit haar winterslaap te halen. Juist daarom hebben ze hun mooiste jurk aangetrokken, hebben ze zich opgemaakt, maken ze een selfie. 

Eenmaal thuis lees ik weer eens wat over ethiek. Ik lees Levinas, Hannah Arendt, Martha Nussbaum. Hoe verhoud je je tot de ellende in de wereld? Hoe verhoud je je tot Zahra? Zahra is nu acht jaar ouder. De fotograaf heeft twee keer per jaar contact met het meisje, vertelt zijn vrouw. Ze behoort tot een verloren generatie, ze gaat niet naar school, zoals zovelen. Ik blijf maar met vragen zitten. 

Hoe kun je oog hebben voor het lijden van anderen, als je zelf nauwelijks ervaring met dit lijden hebt? 

Hoe moet je de leegte in een mens herkennen? Kun je die meten? 

Foto: Muhammed Muheisen

Hemelwaarts

Ik had me voorgenomen dan maar te lopen. De eerste optie om een Uber te nemen, was op niks uitgelopen en er ging ook geen bus op zondag. Bellingham ligt doordeweeks dan wel als opgeklopte room aan de Tyne, maar op deze laatste dag van de week is het dorp niet meer dan een laagje aangedikt melkvet, weggezet in de koelkast.

Kwart voor negen loop ik weg bij het Riverdale Hall Hotel en neem de weg die ik gisteren bijna hemelwaarts ging. Het is grijs maar toch benauwd. Ik leef in de veronderstelling dat alles precies moet zijn zoals het is. Als er geen Uber of bus beschikbaar is, dan ligt het in de verborgen bedoeling om te lopen. Je kunt alles als contingent of niet-noodzakelijk kwalificeren (en dus vrij), toch heb ik de redelijke overtuiging dat zaken gaan zoals ze gaan en dat een wijs mens zich daarbij neerlegt.

Het bewijs daarvan wordt snel geleverd. Net voorbij de eerste heuvel komen vijf honden mij blaffend tegemoet. Ik ben wat buiten adem om mijn angst voor honden volledig toe te laten, en honden lopen niet los als ze gevaarlijk zijn, denk ik gauw. Er is een duidelijke hiërarchie in het groepje. Gealarmeerd door de honden verschijnt de boerin in peignoir om ze tot de orde te roepen. Het zijn echter niet de honden die voor haar aanleiding zijn naar buiten te komen, het is de revelatie zelf die meegedeeld moet worden. Het verhaal is treurig. Op welke manier kan het vroegtijdige overlijden van je zoon door een hersentumor betekenis krijgen? Ze heeft antropomorfe verklaringen voor de dingen die ze ziet en meemaakt. De regenbogen, dezelfde gezichten die ze herkent in de wolken, de lichtflitsen boven het uitgestrekte land als ze opeen ‘s nachts wakker wordt. Ze neemt foto’s van de fenomenen en laat ze als bewijs aan de plaatselijke priester zien. Onomstotelijke wonders die in het teken staan van de dood van haar zoon is de conclusie. Alle verschijnselen worden voor haar met een bedoeling veroorzaakt en zijn tekenen van leven na de dood, en ik ben getuige van dat relaas. Mijn gedachten gaan naar het college over het christendom, een van de tweehonderd sektarische bewegingen aan het begin van onze jaartelling. Ook met het kruis werd een onzinnige dood betekenisvol. Voor je het weet heb je een godsdienst, denk ik als ik weer verder loop.

De waarheid over het meisje dat valt

Met acht jaar krijg je een nieuwe fiets. Nog enigszins wankelmoedig stap je op de tweewieler, maar na twee bochtjes ben je al behoorlijk zeker. En na een week ben je vergroeid met het zadel. De fiets is zacht zeegroen, het rekje voorop prijkt trots aan het stuur. De lichtjes geven licht door ze aan te drukken, dat had je snel in de gaten. ‘Drie versnellingen’, zeg je trots. En toch gaat het mis. Opgroeien gaat met vallen en opstaan, maar het kan echt helemaal misgaan. Want als je opgroeit, verken je de weg, doe je net iets meer dan je aankunt.

De stoeprand was te hoog, je viel. En ze rijden daar zo onredelijk hard met hun grote auto’s. Het verhaal stopt hier. Ze is inmiddels begraven. Haar lievelingsjurkje wappert elke nacht voorbij, als een jonge vogel die wilde vliegen, maar niet verder mocht. Jouw gezicht zal mijn gezicht plooien. De vraag wat ik had kunnen doen, zal met mij meegaan op mijn grote reis, en in de ogen van het meisje in Gaza, zie ik mijn eigen meisje, wie dan ook.

Het lentepaleis

Het lezen over de eufemistisch genoemde ‘systematisering’ onder de dictatuur van Nicolae Ceauşescu leidt me nogal gemakkelijk af van het pad van mooischrijverij; als dat pad al vol te houden is in een blog. Het is geen novelle, zeg maar, en daarvoor mis ik de kwaliteiten trouwens ten ene male, zegt mijn vrouw. Ik daal dus noodzakelijkerwijs af naar de Roemeense en historische werkelijkheid. Maar voordat ik verder ga, kunt u nog terug: het staat u vrij om op te staan uit uw luie stoel, de hond uit te laten en dit bericht te laten voor wat het is.

Recent brachten wij een bezoekje aan de voormalige residentie van Nicolae en Elena Ceauşescu, de privéwoning waar het stel van 1965 tot 1989 woonde met hun kinderen Nicu, Zoia en Valentin. Het herenhuis werd gebouwd halverwege de jaren zestig en stond destijds bekend als het Lentepaleis. De eenvoudige schoenlapper klom op tot secretaris-generaal van de Roemeense Communistische Partij. De idolatrie van Nicolae vond zijn uitweg in een haastig georganiseerd showproces in een klaslokaal dat een rechtbank moest voorstellen. Aan de onsterfelijkheid van meneer kwam rap een einde toen hij en zijn vrouw werden veroordeeld en ter plekke geëxecuteerd. Een afrekening met de geschiedenis dachten velen toen.

De hele sanering onder zijn bewind was hoofdzakelijk bedoeld om het agrarische karakter van het land om te zetten in zware industrie, het beloofde exportproduct van het land. De bevolking moest gedwongen verhuizen (alle boeren in een flat), dorpjes werden met de grond gelijk gemaakt, kerken werden ontmanteld, intellectuelen werden opgepakt en gemarteld, maar de residentie ligt er nog gezellig bij zoals die in 1989 verlaten werd. Pyjamaatjes op het bed, schoenen in de kast, de hele garderobe van mevrouw, de badkamer, het zwembad met mozaïek en de vleugel. Zelfs de pauwen, een relatiegeschenk van een bevriend Aziatisch land, lopen nog vrij rond door de tuin. Volgens de gids (wij waren met een twintigtal mensen) kon niemand van de familie de vleugel bespelen. Als we wilden, konden we erachter plaatsnemen. Ik dacht, ze maakt een grapje en liep beschroomd verder. Maar niet veel later, toen ik in een andere kamer een schilderijtje van Camil Ressu stond te bewonderen, hoorde ik pianogeluiden in de grote hal, en wat akkoordjes die ik die week eerder had gehoord. Nieuwsgierig geworden liep ik terug naar de hal. Als eerste zag ik het instrument en het gezelschap dat netjes achter een koord stond opgesteld. Daarna zag ik mijn dochter van 8 jaar pontificaal achter de enorme vleugel zitten én spelen. De eerlijkheid gebied me te zeggen dat spelen wellicht wat overdreven is, maar een paar akkoorden op een vleugel geven al snel het idee van een recital, en mijn dochter heeft geen last van bescheidenheid, en dat bedoel ik positief.

De ironie werd me niet veel later duidelijk. Ik in dit land aanwezig in de jaren tachtig, bijna heimelijk. Het land dat zo gebukt ging onder het bewind van meneer en zijn partij. Tersluiks de weg vragen, omdat praten met een westerling bij voorbaat verdacht was en inwoners in gevaar kon brengen. De gevreesde Securitate was berucht en aanwezig in alle lagen van de bevolking. En nu, bijna 40 jaar later, zit mijn dochter achter de vleugel van deze schoenlapper.

In de beschrijving van Casa Ceaușescu staat: We willen dat onze bezoekers zien hoe Ceauşescu leefde, niet alleen als internationaal bekend staatshoofd, maar ook als man in zijn eigen privéleven – de hobby’s die hij had, wat zijn routine rond de privacy van zijn huis was, hoe hij studeerde of welke kunstcollecties hij in huis had.

En het moet gezegd worden: ik zat zijn eigen privéleven behoorlijk op de hielen en stiekem kon ik de kunst in zijn herenhuis zeer waarderen, ook al waren het cadeaus van andere staatshoofden. In Casa Ceaușescu werd het weer intiem gezellig.

Charlotte

Ik kwam Charlotte tegen. We zaten op een bankje. Ze at een vet broodje van de HEMA, het cellofaan lag op haar schoot. We zaten naast het koperen paard, of was het van brons? Kleine wolken doorspoelden het luchtruim. Ze vertelde, bijna als excuus, dat ze thuis alleen sardientjes en tomaten had. Ze schoof iets mijn richting op en sloot haar ogen, de glanzende huid leek van zacht satijn. Haar iets te grote neus stak liefdevol af tegen de kleine, zwoele mond, met lippen die net iets te strak op elkaar stonden en haar iets onbereikbaars gaven. In haar uitbundige ketting zat een lichtblauwe steen met bruine figuurtjes die me deden denken aan de dansende vrouwen van Matisse. Haar wenkbrauwen waren volstrekt symmetrisch, boogjes die gracieus eindigden. Ze had een smal gezicht. ‘Nooit willen bezitten’, bracht ik uit. Ze vroeg wat ik bedoelde. ‘Ik hoef je nooit te bezitten’, herhaalde ik zachter, bijna woordelijk. Ze bloosde en keek opzij. Toen pas zag ik dat zij donkere nagellak had, en dat de kleur detoneerde met de kleur van haar teennagels, die gedeeltelijk uit het elegante schoentjes staken. Haar borstjes wapperden vrolijk heen en weer in haar losse bloesje, of fantaseerde ik dat? Waarom wil ik haar voor altijd inbeelden, vroeg ik me af. Waarom laat zij nog steeds zo’n onuitwisbare herinnering achter na al die jaren? Op welk droombeeld werd ik verliefd? En waarom was de wens om mij af te stemmen op het beeld dat zij van mij had bij lange na niet ingelost? Misschien was deze liefde wel de wens en meest ultieme poging om werkelijk op te gaan.

‘Ben je al lang alleen?’ vroeg ze me? Ik schraapte verlegen mijn keel, en keek wat geschrokken haar kant op. Ik was niet gewend van haar dat ze me intieme vragen stelde. De ingetogenheid van haar persoonlijkheid liet dat zelden toe, zo was mijn ervaring destijds. ‘Ach, wat is lang’, zei ik nietszeggend. Haar licht getinte benen deed ze over elkaar. Mijn aandacht verschoof naar de twee bovenbenen die op elkaar lagen. Mijn aandacht verschoof naar de onmetelijke ruimte tussen die twee licht getinte benen, die geen ruimte was. Ik wilde met haar samenvallen en zij gaf mij nog altijd het idee dat ik die verbeelding kon verwezenlijken. Daar zat ik als ‘willekeurig schepsel van de wereld’ tussen twee benen en een vet broodje van de Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam. Verloren, zoals ik me lang geleden in haar verloren had, en nooit meer had teruggevonden. ‘Ik hou van je’, sprak ze op een eerder vragende dan constaterende toon. ‘Je bent vrij, net zoals ik, en je moet uitkijken voor vrouwen die je uitzuigen!’ Het was stil. ‘Jij moest jouw wens om mij te veranderen loslaten, ik moest op mezelf vertrouwen.’ Ze bracht me in verlegenheid. Eens was zij degene die luisterde; ik was degene die eloquent mijn verbale paradepaardjes ten beste gaf. De geschiedenis had onze rollen omgedraaid. Het bronzen paard bleek nog meer te glimmen dan eerder, zo leek het. In het tasje brandde I nostri antenati van Calvino, dat ik zojuist bij de boekhandel had gekocht. Ik vergat de mensen om mij heen.

De klant blijft koning

Ik ben nooit zo’n fan van winkelen geweest, maar als housekeeper kan ik toch moeilijk bij de pakken neerzitten, al zijn die pakken in mijn geval de sportschool en het taleninstituut. Twee op zichzelf vrij betekenisloze organisaties die niettemin suggereren dat ik niet alleen maar bezig ben met uitslapen en potverteren.

Op deze maandagmiddag trek ik de stoute schoenen aan om naar de Carrefour te gaan in Baneasa Shopping City, een megalomaan winkelcentrum dat niet onder moet doen voor westerse equivalenten. Het consumentenwalhalla is een groot spiegelpaleis van winkels waar je echt alles kunt krijgen. Het verdwalen in dit ‘greedy land’ neem je dan op de koop toe. De Carrefour is groot, echt groot. Ik schuifel bedeesd en onder de indruk met mijn wat bescheiden winkelwagentje en boodschappenbriefje het warenhuis binnen. Ik ben wat langer dat de gemiddelde Roemeen, dus dat trekt de boel weer een beetje recht. Brood, water, fruit, kruiden, boter. Het water heeft nog wel wat uitleg nodig. In Roemenië kun je niet uit de kraan drinken, dus een boodschapje doen, heeft met die 10 liter waterflessen al gauw het idee van de weekboodschappen voor een groot gezin. Mijn karretje zit al snel vol met vier flessen van 10 liter. Nu nog wat kruiden en groente. Na 10 minuten is de restruimte in mijn karretje toch best aardig gevuld en ik loop opgelucht en vrij resoluut naar de kassa. Ik zie een behoorlijke rij van ongeveer 25 kassa’s, waarboven een groen licht hangt ten teken af te kunnen rekenen. Een enkele kassa heeft rood licht en daar zie ik mensen staan. Ik ben van de ouderwetse caissière die je helpt en afrekent, maar als ik goed kijk, zie ik ook bij de rode kassa’s mensen staan zonder caissière. Ik vraag nog even in mijn beste Engels of er een kassa is met een caissière, maar de vrouw kijkt me niet begrijpend aan. De demarcatielijn tussen Engels sprekende en niet-Engels sprekende Roemenen ligt op ongeveer 35 jaar. Degenen die jonger dan 35 jaar zijn, lijken hier het land te zijn ontvlucht. Zo heb je eigenlijk alleen niet-Engels sprekende Roemenen. Ik zal mezelf moeten helpen achter de kassa. Het overleven doe ik al ruim een maand, dus dit zal wel goed komen. Ik kijk in mijn karretje en zie dat de meeste producten een streepjescode hebben. Ik ga weer wat rechter op staan en de eerste producten worden goed gescand, nadat ik op een display een volstrekt onbegrijpelijke toets in een volstrekt onbegrijpelijke taal blijkbaar toch goed heb aangevinkt. Mijn zelfvertrouwen neemt echter terstond af als ik bij de komkommer kom. Ik druk voor de vorm nog op ‘vegetal’ met pictogrammen van groentes, maar het apparaat doet niks. Bij een soort verhoogde katheder zit een winkelchef en daaromheen staan ongeveer 5 oudere dames in dito bedrijfskleding, als motten om een nachtlamp. Ze zijn vooral met elkaar bezig. Winkelen blijft een sociale bezigheid. De door mij opgestoken arm wordt niet gezien, terwijl ik toch op nauwelijks tien meter afstand sta, en langer ben dan de gemiddelde … u begrijpt het. Na een paar minuten word ik geholpen door een van de medewerkers die mij in gebarentaal duidelijk maakt dat de komkommer eerst geprijsd moet worden. Ze wil hem voor me meenemen naar de afdeling groente en ik probeer met een afwerende armbeweging duidelijk te maken dat de halve komkommer die in mijn groentela ligt ruim voldoende is voor de komende dagen. De waarde van een komkommer wordt zwaar overschat. Terwijl de vrouw wegloopt met de komkommer, probeer ik het ‘afrekenproces’ te hervatten, maar het systeem werkt niet mee. De scanner laat het afweten. Ik staar naar de motten en steek mijn arm weer omhoog. Niemand kijkt. Als er plots een andere medewerker achter de bonen verschijnt en mijn hulpeloze gebaren op haar gericht ziet, steekt ze haar handen in de lucht om aan te geven dat ze geen tijd heeft, of andere dingen aan haar hoofd. Vrij onwillekeurig gaan mijn gedachten uit naar de drie maanden die ik op een bovenverdieping bij een oudere dame in Boedapest doorbracht, in de jaren tachtig. De systematisering had behoorlijk huisgehouden, eigen initiatief was een kaalslag. Ik sta hulpeloos voor de kassa. Uiteindelijk word ik geholpen. De medewerker logt in met een muntsleutel (hoe moet een klant dat doen?) en het proces kan verder gaan. Netjes en gelaten reken ik alle andere etenswaren af. Goddank zitten er er geen losse producten zonder code meer in mijn karretje. Ik zal u hier omwille van uw geduld, lezer, niet meer vermoeien met het elektronische display met Roemeense opties om af te rekenen. Mijn gewoonte om zonder mobiel (en dus zonder mogelijkheid om te vertalen) van huis te gaan bewijst me hier in ieder geval geen goede diensten. Nederig buigt deze expat voor het degelijke systeem van de Carrefour. Ik ben opgelucht als ik, door de bon te scannen, het poortje kan openen. De bon.

Jeetje, de bon? Waar is de bon? De beveiliger zit vlakbij en komt langzaam uit zijn stoel. Het zweet breekt me uit. Ik kan de bon nergens vinden. Ik had de bon toch in mijn zak gedaan? Onderin mijn boodschappentas misschien?

Een bomenfamilie

‘Na een vlakte te hebben doorlopen die brandt in de zon, kom ik ze tegen.

Ze wonen niet aan de weg, vanwege het lawaai. Ze wonen in de onbebouwde vlakte, rond een bron die alleen de vogels kennen. Vanuit de verte lijken ze ondoordringbaar. Maar zodra ik naderbij kom, maken hun stammen zich van elkaar los. Ze ontvangen me behoedzaam. Ik mag uitrusten, me verfrissen, maar ik voel dat ze me argwanend in het oog blijven houden.

Ze vormen samen één groot gezin, de oudsten wonen in het midden en de kleintjes, die nog maar pas hun eerste blaadjes hebben gekregen, zo’n beetje her en der eromheen, maar zonder zich ooit af te zonderen.

Het duurt heel lang eer ze oud zijn en sterven, en ze houden hun doden staande tussen hen in, tot ze eindelijk tot stof verpulveren.

Ze zijn trots op hun lange takken, waarmee ze elkaar, als blinden, geruststellen dat ze er nog altijd zijn. Als de wind zich buiten adem blaast om ze te ontwortelen, maken ze heftige gebaren van woede. Maar onder elkaar maken ze nooit ruzie. Als ze ruisen, ruisen ze eensgezind.

Ik voel dat zij mijn eigenlijke familie moeten zijn. De andere zal ik snel vergeten. Die bomen zullen mij langzaam in hun midden opnemen, en om dat waardig te worden leer ik wat daarvoor nodig is:

Ik kan al naar de voorbijdrijvende wolken kijken.

Ik kan al doodstil blijven staan waar ik sta.

En ik kan al bijna mijn mond houden.’

Jules Renard in Natuurlijke historietjes

Mijn wakkere dochter

Tijdens een telefoongesprek overleg ik terloops met mijn vrouw over een eventuele oppas voor vanavond. Ik ben uitgenodigd voor de tentoonstelling Love Stories In de National Portrait Gallery in Boekarest. Met ongeveer 100 meesterwerken schetst de tentoonstelling de rol van de portretkunst op het veranderende gezicht van de liefde, van schilderkunst uit de zestiende-eeuwse renaissance tot de hedendaagse fotografie. Een oppas hebben we nog niet kunnen vinden in de korte tijd die we hier nu zijn, maar mijn inviteur stelt zijn zoon van 14 voor. Wij hadden bij een eerder etentje zulks geopperd, en ik ben blij dat het idee is blijven hangen. Mijn vrouw mompelt dat het misschien een beetje veel is voor mijn dochter. Drie weken geleden heeft ze huis en haard moeten opgeven om de wat buitenissige droom van haar ouders te volgen. Wat moet je anders als kind van zeven jaar? Ik overweeg even in de aarzeling van mijn vrouw mee te gaan, maar besluit vervolgens mijn dochter in het gesprek te betrekken (of was zij al betrokken?). Ze zit op de bank. ‘Wat vind jij hiervan?’ vervolg ik, terwijl ik nog steeds aan de telefoon zit. Ze kijkt me met een serieus gezicht aan. ‘Ik wil dan wel eerst de oppas leren kennen’. Zeven jaar, ‘zeven jaar’ en dan al zo goed weten wat je nodig hebt. Niet vanuit angst reageren, hoe turbulent de afgelopen weken ook waren met het afscheid van vriendinnetjes, lieve buren, school, de buurhond Bommel, maar reageren vanuit de eigen zelfstandigheid en zorg voor haarzelf.

De tentoonstelling was prachtig. De intieme foto van Laurence Olivier en Vivien Leigh uit 1937 of het portret van Ellen Terry van George Frederick Watts (1817-1904), om maar eens twee werken te noemen, maakten veel indruk. De oppas maakte pannenkoeken en zijn sympathie voor mijn dochter was spontaan en ongeconditioneerd èn wederzijds.

Strada Nicolae

Als ik een ding heb opgestoken van de acculturatietraining is dat ik de gebruikelijke westerse arrogantie achterwege moet laten in Roemenië. We lopen naar het Herastrau park voor een in Boekarest vrij gebruikelijke zondagse wandeling. Op de Strada Nicolae G. Caramfil zit een zwerver met zijn hand omhoog. Ik voel in mijn zakken en vind een paar losse munten, niet meer dan een paar cent. Ik wil het niet mooier maken dan het is. De zwerver kijkt hoopvol. Ik leg mijn dochter nogal wijs uit dat een Boeddhist het gedrag van de zwerver ziet als mogelijkheid te kunnen geven. Ik vraag me af of dat ook opgaat bij het geven van een paar cent. Trots leg ik de munten in de hand van de oude man. Hij kijkt of hij water ziet branden. Van weeromstuit begin ik te lachen; een hautaine lach. Acuut word ik door mijn vrouw beticht van hoogmoedigheid. Mijn dochter staat er bedremmeld bij. Ik houd maar wijselijk mijn mond. Ik zal mijn gedrag op een later moment nog eens onderzoeken, als de druk eraf is.

Avenue

Als het fotoboek Eye Love You van Ed van der Elsken (1977) mij wakker schudt op het oppasadresje, is het voor mij eigenlijk te laat. De jaren zestig zijn inmiddels voorbij. Wat ik in het boek echter zie, zijn de naweeën ervan, in de vrije liefde én het gedonder van de liefde, de emancipatie van de vrouw, heilige mannen in India, toeristen in Zuid-Afrika, armoede, opstand en de politieke strijd in het Chili van Allende. De foto’s zijn voornamelijk gebaseerd op de reizen die Van der Elsken maakt voor Avenue. Het modetijdschrift was geïnspireerd op het toonaangevende Parijse modeblad Vogue en kwam maandelijks door de bus. Het blad bewoog zich tussen populaire en elitaire cultuur en de doelgroep was een welvarend publiek met een behoefte aan luxueuze cultuurproducten. De fotografie speelde een belangrijke rol. Ik denk dat ik het blad door de ogen van mijn moeder zag, de prachtige foto’s en de literaire bijdrages die vanaf 1967 verschenen. Het leven van mijn moeder wil zich eigenlijk ontwikkelen volgens de merites die het blad voorspiegelt. Reizen, en vooral mode en culinaire genoegens zijn mijn moeder op het lijf geschreven. Mijn moeder wil zich het liefst voortbewegen als modieuze vrouw van de wereld met haar namaakwimpers, haarstukjes en tache de beauté. De schijn van de glamourachtige wereld van mijn vader geeft voor de hand liggende maar obligate avondlijke seances. Het schoonheidsideaal wordt ingezet als het werk van mijn vader dat vraagt. In een prachtig avondtoilet komt mijn moeder de trap af, opgemaakt en met haar muiltjes in haar hand. Ze is dan ongeveer een uur boven bezig geweest voor de spiegel met een caballero en een glas sterke drank als zelfbewuste metgezellen. Als ze van de trap afloopt, vraagt ze ons hoe ze eruitziet. ‘Je uiterlijk mocht er eens afvallen’, schreef ik lang geleden. We kunnen alleen maar ademloos staren naar deze prachtige verschijning die dezelfde middag nog lamlendig in bed lag. De betovering is compleet. Ik overdrijf natuurlijk. Maar het laat in een notendop zien welke demonen een rol spelen in het leven van mijn moeder. En dus ook in het leven van ons. Tijdens glamourachtige feestjes wordt mijn moeder, tegen haar natuur in, door mijn vader ingezet als onschuldige gesprekpartner met dubbele agenda. Je weet nooit met wie je zakendoet, zo lijkt mijn vader te denken. En mag het ook, een verzetje als afwisseling van de huiselijke sleur? Arbeid is in de jaren zeventig gesegregeerd naar sekse. Mannen werken buitenshuis en vrouwen doen het huishouden. Alleen typische vrouwenfuncties als verpleegster of bibliothecaresse kunnen uitgeoefend worden, maar het huwelijk of een zwangerschap maakt daar direct korte metten mee. Zo zal het vergaan met mijn moeder. Na de mms doet ze een opleiding voor schoonheidsspecialiste. Ook werkt ze een tijdje als tandartsassistente. Ze is een prachtige jonge vrouw met een onzeker natuur en een geplaagde jeugd met twee liefdeloze ouders. Ze droomt van moederschap en zou het liefst een weesje vinden in het Vondelpark. Als ze nog net op haar negentiende trouwt en op haar twintigste haar eerste kind krijgt is, neemt ze het huishouden op zich met een bestaan aan de aanrecht en de kinderkamer. Maar ze is gelukkig. Ze heeft een ambitieuze, liefdevolle man én ze kan haar ouderlijk huis vaarwelzeggen. Ze is intens blij met haar twee kinderen en ze kijkt alweer met enige afgunst naar andere jonge vrouwen met wandelwagen die ze tegenkomt op weg naar de kruidenier A&O. Inmiddels is de bovenverdieping ingeruild voor een nieuwbouwhuis met drie slaapkamers en een heus tuintje en hebben, ruim twee jaar later en met wat overtuigingskracht richting haar echtgenoot, nog twee kinderen het licht gezien. Het is dan zomer 1968 als Parkstraat 6A wordt ingenomen voor ruim 30.000 gulden. Het huis wordt ingericht met objecten uit de nabije omgeving. Veel huizen in de omgeving van de Parkstraat en de Leestraat worden in die tijd afgebroken, maar niet voordat mijn moeder door nachtelijke tochten de overgebleven inventaris ‘in veiligheid heeft gebracht’. Het geconfisqueerde ‘prinsessenbed’ voor mijn zus wordt goud gespoten, oude Delftse tegeltjes worden afgebikt en prijken dan opeens in onze wc, een staande pendule staat opeens op een bijzettafeltje. Een oude waterpomp wordt gekocht, groen geverfd en tegen een keukenmuurtje geplaatst. Antieke plavuizen vinden hun weg in de keuken en de gang, die vervolgens bij de woonkamer wordt getrokken. Een oude beuken steunbalk wordt door een bevriende metselaar uit een kerk in Limburg gehaald en boven de open haard geplaatst. De huiselijke sleur krijgt opeens een landelijke dimensie. Mijn moeder wordt een binnenhuisarchitect met brocante en andere curiosa.