Ik doodde een minuscuul vliegje op pagina 183 van het boek dat ik las. Achteloos was mijn beweging en er bleef een streepje van nauwelijks een centimeter over tussen de woorden ‘ik besloot’ en ‘mijn herinnering’ als uitdrukking van zijn bestaan. Op de volgende pagina stond ik stil bij mijn achteloosheid – miljoenen joden werden in de Tweede Wereldoorlog even achteloos vernietigd – en bedacht dat ik een heel boek zou leven, waarna een kolossaal wezen mijn korte bestaan indachtig – een streepje – even achteloos verder zou lezen, mij wegvegend uit het boek. En ook hij zou kortstondig en achteloos waargenomen worden door een nog groter wezen dat hem in één zucht zou wegvegen.
Vaak loop ik met mijn dood, en de dood loopt met mij. Ze pakt mijn hand, maar ik ben te stom om haar te pakken. Zoals ook het leven uit mijn handen glipt. Ze fluistert aardige woorden, maar ik ben te stom om haar te horen, zoals het leven ongehoord gehoor wil vinden bij hem die doof is voor haar gehoor.