Een schrijver liegt de waarheid

Staat de verbeelding de kijk op de werkelijkheid in de weg en moet fictie ons de weg wijzen naar de werkelijkheid? Dat is de centrale vraag die Bas Heijne stelt in Echt zien, literatuur in het mediatijdperk. Welke rol is er weggelegd voor de kunst, voor de literatuur, in een tijd dat de grote verhalen hebben afgedaan?

Het is tegen de stroom inroeien, Heijne bevestigt het. Romans zijn verwijzingen geworden, de boeken van vandaag worden geschreven door TV-persoonlijkheden die met hun autobiografisch getinte verhalen de literaire niche in de media worden binnengehaald. Door de mediacultuur wordt literatuur niet meer gevangen gehouden in een habitat van gespecialiseerde kritiek en commentaar. Het is vooral de mediacultuur die bepaalt wat gelezen moet worden. Het individu krijgt consumeerbare verhalen voorgeschoteld, waarin het leven vooral overzichtelijk en geordend wordt voorgesteld. En ik ben het met Heijne eens. Als je naar de boekenlijsten en prijsuitreikingen kijkt, lijkt het mediaspektakel vooral centraal te staan, niet het boek.

Daartegenover zet Heijne een overtuigend beeld neer van literatuur als vorm om de eigen ervaringen vorm te geven en te doorgronden. De ‘werkelijkheid’ van fictie leert ons iets over onszelf en over de ander. Ze negeert alle ‘doorbakken’ opvattingen over goed en kwaad en geeft ons een beeld van de meerduidige werkelijkheid. Ze opent zich, in tegenstelling tot triviale literatuur die het leven reduceert tot een verhaal, naar de wereld. Of zoals P.F. Thomése het ooit zei in het NRC Handelsblad: ‘De waarheid is niet interessant voor de literatuur. Een schrijver moet de mogelijkheid opperen dat de wereld die hij beschrijft werkelijkheid zou kunnen zijn. Een schrijver liegt de waarheid. Vandaar de preoccupatie voor verlangens, angsten schaamte… de krochten van het bestaan waar mensen zich liever niet wagen, of hooguit als het licht uit is. In fictie houd je de mogelijkheid dat het misschien niet waar is wat je leest open, en dat maakt dat je erover durft te schrijven’, aldus Thomése. Schrijven is vooral zelfonderzoek.

Toch is wel iets af te dingen op de visie van Heijne. Het is evident dat literatuur gemarginaliseerd is. Ik ben het met Heijne eens dat literatuur ons allen aangaat, maar hij laat in zijn essay zien dat dit belang vooral in strikt literaire kringen bestaat. Juist de bijzonderheid van literatuur, de poging van de roman om iets te zeggen over de de ongrijpbare en ongestructureerde werkelijkheid, marginaliseert haar. De aandachtseconomie trekt zich echter niets aan kwalitatieve en morele overwegingen.

Ook vraag ik me af of in een wereld waar het verhaal van de geschiedenis heeft afgedaan, waar het verhaal van de – weliswaar gekleurde – werkelijkheid, onze werkelijkheid, diffuus is geworden, waar we stuurloos op zoek zijn naar bakens, consumeerbare verhalen geen noodzaak zijn geworden.  Literatuur als stereotype, als ademhalen, als bevestiging en geruststelling. We hebben misschien clichéverhalen nodig in een wereld waar alle zekerheden verdwenen zijn. Elk verhaal, triviaal of niet, bezweert onze existentiële crisis.

Plaats een reactie