‘s Nachts had ik hem gehoord. Als een ekster tikte hij met steentjes tegen het raam. ‘s Ochtends vond ik hem met negen hechtingen net boven de lakens. Zijn gezicht beurs, blauw, dieppaarse streepjes met geronnen bloed. De prachtige man, de vader die mijn vader was, de vader met de grote handen, de man die ik was, lag klaaglijk in de lakens gewikkeld als de piëta van Botticelli aan de vooravond van het mysterium tremendum. Mijn vader had feestelijk de artiest uitgezwaaid die door een gouden plaat het sterrenrijkdom had beklommen. Als je honderden monden te voeden had en je stond aan de basis van dat rijkdom, dan kon je je wat permitteren. Op al die feesten werd hij gesouffleerd door mijn moeder die een dubbele taak had: het rijkdom benadrukken in haar prêt-à-portercollectie, inclusief hoge hakjes en namaakwimpers, en mijn vader voorzien van bruikbare informatie. Iedere medestander kon immers tegenstander worden. Mijn vader was ambitieus, een charmeur met elegante en mannelijke trekken. Tweed, pijp, donkere slag in het haar, zachte ogen en gele tanden, het type dat je in het ziekenhuis of ergens in het wild tegenkomt, met stethoscoop of jachtgeweer. Hoe hoger iemand zit, hoe dieper die kan vallen.