In de spiegeling van de zomerzon schoof één van de zes beklaagden naar voren op verzoek van de rechter. De rechter las voor, de beklaagde luisterde. Of de beklaagde er nog iets aan toe te voegen had. Alsof het schriftelijk verweer niet bestond, begon de beklaagde uit te leggen dat zijn vrouw een ernstig hartfalen had, dat noodzaak handelen onbetwistbaar maakte, dat het nachtelijk uur geen risico voor andere weggebruikers betekende, dat het algemene alarmnummer weliswaar gebeld was, maar dat wachten daarop het geduld vereist waar gezien de omstandigheden geen sprake van kon zijn. En hartfalen was een familiekwaal. Kortom: alles wat in het verweer stond, werd door de beklaagde wederom verwoord. De rechter keek betekenisvol naar de officier van justitie. Hij had geen aanvullingen, geen vragen. De kandidaat keek glazig voor zich uit, dacht aan zijn vrouw. Zij was in die bewuste nacht gestorven. De officier verklaarde het verweer van de kandidaat ongegrond, de rechter ging daarin mee. Of de kandidaat als laatste nog iets wilde zeggen. Die begon nu hevig te stotteren. ‘Mijn vrouw, uh, de weg, leeg was het, nacht, geen gevaar voor anderen, weggebruikers’. Als een langzaam op gang gebrachte tong hete lava, bluste beklaagde zijn woorden tegen niemandsland in de hoop het deurtje van zijn oneindige verdriet ieder geval niet verder dan een kier te laten. ‘Ze lag op mijn… schoot’, prevelde hij. De woorden droogden toen langzaam op, zwegen maar. Het hoofd verdween in zijn schoot, de armen zakten langzaam naar de grond. De rechter zuchtte, te lang had deze zaak geduurd. De officier van justitie hield zijn ogen op de rechter gericht. Zijn vakantie begon hedenmiddag.