In het gat van de wereld lagen onzinnige plannen die een of andere contingente God ons had meegedeeld, in onze dromen, waar bewustzijn sluimerend voorbijtrok, om ten slotte in het gekwinkeleer van de ochtend geheel en al op te lossen. Bewuste denkbeelden stroomden binnen en deden mij in volslagen paniek raken. Die andere God, de god van dag en nacht, was niet veel beter. Ik rekte me uit, de dag begon. Zuchtend sleepte ik mezelf naar de kraan. Misschien een wat luchtiger personage creëren. Een grote liefde, meeslepend leven, luxe voor het oprapen. Het lag niet in de lijn der verwachting. Het leven had me opgezadeld met zwaarte, met zondagen, met de klok die onverdroten doortikte, tot ik in hem ten langen leste mijn meerdere moest erkennen. Bij de buren hoorde ik het gekletter van water, de ochtendurine. Ik verzon er het achteloos krabben aan het geslacht bij, het uitrekken, het jeukende gevoel van de slaap die ternauwernood het lichaam uitsluipt
Onaangeroerd door het leven zijn, op je zadel zitten, terwijl je naar de mensen kijkt en hen roerloos en onaangedaan in de ogen kijkt. Alsof alle schuld van de wereld ons voorbijgegaan is, alsof de maagdelijke staat van zijn ons in de wieg als belofte meegegeven is! Ik vind mijn weg op de wolken, laat mij op de wind meedrijven en word nooit meer wakker. Leven volledig ingelost, transparant geworden.
Met een ruk trek ik het laatste velletje papier van het rolletje om mijn gat af te vegen. Met mijn onafgeveegde gat loop ik naakt naar benden om een nieuwe wc-rol uit de gangkast te pakken. De laatste rol is op. Het plastic waar de rollen in hebben gezeten ligt roerloos naast de flessen wijn. Als ik in de kast sta, wordt er gebeld. Hoe feilloos naïef is mijn recente luchtledigheid geweest, denk ik als ik stijf in de trapkast sta, naakt, onhandig. Er wordt voor de tweede keer gebeld, geklapperd met de klep van de brievenbus. Waarom niet bellen, denk ik? Waarom nu? Waarom dit bezoek?