De petitsfours werden netjes op de schoteltjes gelegd. De framboosjes erop straalden, zoals alles straalde. Zelfs het oude hart van de gastheer had nog vijf jaar gekregen, al zijn zulke medische garanties onmogelijk. Dokter Klein uit Nieuwegein was een wonderdokter die alle onmogelijkheden tartte. Deze trochee uit het midden van het land had zijn expertise inmiddels overgedragen aan een epigoon dichter bij huis. Inmiddels waren wij op de slaapkamer waar onze mond openviel toen we het expressionistische werk van de gastheer aanschouwden. Adembenemend hoe hij, met de dood op zijn hielen, de kleurige vlakken van een noordelijk landschap op het papier had weten te krijgen. Hier was een man die zijn roeping bijna postuum gevonden had. De koninklijke onderscheidingen ter linker en rechter zijde van het bed bewezen dat gastvrouw en gastheer ook de belangstelling van onze koning hadden. Als wij dachten dat onze familie uit het westen van het land kwam, dan hadden we het ook nu mis. Er waren toch heel duidelijke sporen die wezen naar het oosten – er was zelfs sprake van ‘ereburgers van de stad’ – ook al was het onderzoek dat de gastheer hiernaar destijds had gedaan in diezelfde familie verdwenen. Alles klopte in Deventer die zondagmiddag. Ondanks de hoge leeftijd van tante en oom draaide het leven nog altijd om hen. Het was geweldig hoe weinig wij spraken over onze levens. Maar ja, we zijn ook een stuk jonger.