Het landschap

Heeft de persoon die mijn moeder was werkelijk bestaan? Waarin bestaat het referentiële karakter van taal als het om de werkelijkheid gaat die niet meer voorhanden is, die terug te vinden is in dagboeken en fotoalbums, maar haar correspondentie met een hier en nu gegeven werkelijkheid is verloren, voorgoed. 

Je bent mijn toehoorder, op afstand. Op het bankje in de tuin luister ik naar de wind. Het is nog koud. Op de krokusjes zitten de eerste hommels, dronken van het prille leven. Misschien is het daarom dat ik zo van schilderkunst houd, van de schilderijen van Maris, de verstilde landschappen van Adriaen van de Velde, de lakenwasserijen in de duinen achter Haarlem van Salomon van Ruysdael. Verstilde figuurtjes in een groots landschap met lage horizonten. Vergankelijke levens die geleefd werden tegen de achtergrond van een eeuwige wolkenlucht. Ik denk ook aan jouw moeder, in dat ziekenhuisbed, haar bestaan gereduceerd tot tijdelijk en vooral somatisch voortbestaan, in het teken van pijnbestrijding en mensen in witte pakken, en in jouw aanwezigheid. De laatste sacramenten in het besef dat elk moment afscheid volledig kan zijn. Wat kun je meer doen dan aaien, strelen, masseren, zachtjes spreken, en verdrietig zijn om de pijn van de ander. De Ander! In de filosofie van Levinas draait het om de Ander. Niet de ander als onderdeel van onze ethiek, hoe we de ander bij kunnen staan, kunnen helpen in zijn of haar leven, als onderdeel van onze moraal, maar de Ander als gelijke en als confrontatie met onze individualiteit. De herinnering aan de nazi-verschrikkingen heeft een stempel gedrukt op Levinas’ denken. Zo kwam hij op een fundamentele kritiek op de westerse wijsbegeerte, die volgens hem totalitaire trekken vertoont (alles willen ‘vatten’) en geen plaats inruimt voor hetgeen het gelaat van de behoeftige Ander ons toont, en wat niet te ‘vatten’ is. Deze kritiek is het Leitmotiv geworden van zijn filosofie.

Plaats een reactie