Mijn overbuurman was een bullebak. Je zag hem nooit, maar als je hem zag dan was er stront aan de knikker en dan maakte je dat je wegkwam. Niet zo erg lang geleden was ik op een vrijgezellenweekend en werd mij de vraag gesteld of ik het categorisch imperatief van Kant begreep. Na een wat kort antwoord volgde een gesprek over onze colleges. En wat bleek? Deze man, die van de vraag over Kant, bleek les te hebben gehad van bullebak. Laat bullebak nou net de vader zijn van mijn jeugdvriend Niels. De hooggeleerde heer stond met zijn rijlaarzen aan college te geven over een of ander mathematisch-geofysisch onderwerp, aldus mijn medevrijgezel. In zijn oneindige wijsheid wist hij zijn kennis superieure hoogte te geven, maar van enig contact met zijn publiek, de simpele zielen in de collegezaal, was geen sprake. De man was aan het oreren en verstoken van elke vorm van interactie. Maar laat ik mijn tijd niet vooruit zijn. Ik wist toen niet veel van bullebak. Ik zag hem weleens aan de keukentafel in zijn ochtendjas en dan waren de peren rot. Als hij daar niet zat, zag ik hem met angst en beven door de muur heen in zijn bastion zitten. Ik heb mijn angst weleens overwonnen door de deur naar zijn bastion te openen en naar mijn vriend te vragen … ‘Wat ik u nog wilde vragen: bestaat u eigenlijk wel? En hoe zit het met mensen om u heen, bestaan die?’ De solipsist zat bewegingsloos in zijn zetel. Ik geloof dat hij niks zei, maar de herinnering laat me in de steek.
In de verste verte leek bullebak wel een beetje op mijn scriptiebegeleider. Deze wist echter zijn hart te bereiken, en ten gevolge hiervan dat van zijn studenten. Bullebak was vooral hoofd. Als ik kijk naar zijn portret in levensberichten en herdenkingen 2014 van de UU, dan zie ik – zo lijkt het op het eerste gezicht – vooral een lieve man. Hij heeft een aardige glimlach en zijn baard maakt hem zachter. Maar een portret bedriegt. Een portret geeft de mens de genadeslag van de waarheid, schreef Hermans. Deze uitdrukking van lieve man liet mij destijds in de steek. Ik kwam toen direct bij zijn priemende autoritaire ogen. Intelligent dus superieur, mijn kind. Dus smoel houden. Nu lees ik vooral de onmogelijkheid om te gaan met minder intelligente soortgenoten, ik lees de eisen die hij stelde aan anderen, aan zijn kinderen, maar vooral aan zichzelf. Laten we bullebak een naam geven. Nico, van Nicolaas. In 1968 keerde hij met zijn gezin terug uit Amerika en kwam tegenover ons wonen. Met zijn vrouw, Joyce, en vier kinderen. Drie jongens en een meisje. Mijn vriend was de jongste jongen in het gezin.