Beste Jan

Het landschap ziet er opeens heel anders uit. Het binnenleven van school – gezeik van collega’s, gezeur van leerlingen, wispelturig management en een jaartaak die niet klopt – is ingewisseld voor het buitenleven. Je ziet het voor je: zondagavond op de bank nadenken hoe de picknick er op maandag uitziet. Dinsdag uitslapen of sporten en woensdag naar de hei, maar zonder dat het management er is. Waar vroeger nog een PIZ-cursus aan te pas moest komen om je voor te bereiden, staar je tegenwoordig op eigen benen naar het einde. Maar maak het buitenleven niet te rooskleurig, Jan. Multatuli weet daar alles van en is hard voor zijn tijdgenoten – misschien wel uit verbittering omdat hij niet bij de dames en heren hoorde – maar zijn schildering van het ‘buitenleven’ van de negentiende-eeuwse bourgeoisie zal toch een vrij hoog waarheidsgehalte hebben. In Woutertje Pieterse laat Multatuli zijn jonge alter ego met zijn werkgevers ‘naar buiten’ gaan. Het buiten heet Groenenhuize en ligt bij ‘Haarlem in de Hout’:

‘De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was zo onlandelyk mogelijk. Men ontving bezoek van ebenbürtige optrekmenschen, maar liever van hooger geplaatsten. Men maakte rytoeren in de omtrek, waarby de tentoonstelling van ‘eigen equipage’ hoofddoel was en men verveelde zich.’

Natuurlijk breng jij Frederik van Eeden in stelling, die in Het Gooi, mij alom bekend, zijn idealistische Walden begon op het landgoed Cruysbergen in Bussum, in de natuur. Op het landschap van Het Gooi schrijft hij in zijn dagboek, op 20 oktober 1887:

‘Het Landschap is onvergelijkelijk mooi. Gouden zon, helgeel, oranje, bruin loof, schitterend blauwe lucht. Alles weelderig, vochtig, zoel.’

Zo denk je natuurlijk op zondagavond, als de hele week voor de deur staat te popelen om binnengelaten te worden. Het buitenleven beweegt zich dan nog van idealisme naar romantische verveling. Voor twijfel is dan nog geen ruimte, die ontstaat pas halverwege de week. Dat was al in de tijd van twijfel die Nescio in Titaantjes genadeloos verwoordde:

‘In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we er op een zondag heen waren gelopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofd, in innige aanraking met de natuur, zoals dat toen genoemd werd, en z’n baard vol kruimels.’

En in die laatste typering – wel zonder baard en kruimels – moet je iets van jezelf herkennen, Jan. Maak je vooral niet te veel illusies.

Plaats een reactie