‘Weet je dat je beroemde voorouders hebt?’ Ik had nog nooit nagedacht over mijn voorouders. De familie was uit elkaar gevallen, van moeders én vaders kant. Ik had alleen wat speelgoed uit een poppenhuis dat een aangetrouwde achteroom in de oorlog had gemaakt op zijn onderduikadres. Een schemerlampje, kolenkit, een aanrecht met gordijntjes. Zijn familie – zo was het verhaal – was afgevoerd door de moffen, toen hijzelf tegen een boom stond te pissen, niet ver van de boerderij waar ze ondergedoken zaten.
En zo belandde ik ’s avonds op jouw balkon, vierhoog in een stad die ik niet kende, met een drankje dat ik nog nooit had gedronken, met foto’s van een leven, van ouders, poezen en een ander continent. Wat je daarover zei, ben ik vergeten.
En zo werd ik nieuw voor mezelf, vond ik me zelf uit in het bijzijn van een ander. ’s Nachts konden we niet slapen. Ik ging twee keer naar de wc, jij vaker. Je lag tegen me aan, ik voelde de koestering, het gedragen worden door warm zand met het water op onze hielen. In het morgenlicht schoven je borstjes langzaam uit de japon, als vallende peertjes in een gravitatieloze ruimte. Je keek me aan met grote ogen, je zoende me, ik zoende jou. Mijn forse bovenlijf verbleekte bij je fragiele gestalte. Ik hoorde nieuwe geluiden in een nieuwe stad, in een nieuwe kamer en voor ik het wist, zat ik in de trein terug en viel in slaap met jouw bloemetjesbehang. Ik realiseer me goed dat ik maar een beeld van je heb gemaakt, misschien wel meer dan eerst, juist nu. Maar doen we dat niet allemaal, beelden maken, een mooi verhaal over onszelf ophouden.
In de tuin in Tiszabábolna las ik een boekje van Barnes, The sense of an Ending. ‘Hoe vaak vertellen we ons eigen levensverhaal? Hoe vaak stellen we bij, verfraaien we, laten we handig dingen weg? En hoe langer het leven doorgaat, hoe minder er om ons heen overblijven om onze versie te betwisten, ons eraan te herinneren dat ons leven niet ons leven is, maar alleen het verhaal dat wij erover verteld hebben. Verteld aan anderen, maar – voornamelijk – aan onszelf.’ Ons levensverhaal in optima forma als een kersentuin waar de wat al te grote rijkdom aan vruchten weelderig en zuchtend hangen om geplukt te worden. Als ik mezelf dan toch verplaats naar de kersentuin, dan nestel ik me onder het rieten afdakje. Dan doorbreekt het gezoem van een mug de verdwaalde stilte. Dan zie ik eindeloze maïsvelden die doorkruist worden door fragiele elektriciteitspaaltjes. Dan zie ik ooievaars vliegen, ik hoor de wielewaal en het heldere keelgeluid van de boomkikker. De buurman strompelt met zijn fiets langs en staat even stil om te zwaaien. Zijn vrouw is vorig jaar overleden en haar beeld verschijnt pas bij het vierde glaasje pálinka, waarna het vocht nog rijkelijker vloeit. De motregen laat uiteindelijk minieme druppeltjes achter op het houten deksel van de waterput.
Waar staan de boeken waarover ik vertelde, waar zitten de vrienden, waar lopen de kippen rond? Waar ik jou ontmoette zag ik de scharrelaar, de kwak, de gele kwikstaart, de steenuil onder de dakgoot van een strooien boerderij, en de hop, die graafwerkzaamheden verrichtte op het kiezelpad. In dat natuurfestijn dacht ik aan jou, aan je huid, het stoere van je uitstraling, de dynamiek in je persoonlijkheid.
Wil je nog één keer met mij een nacht aan de grote rivieren doorbrengen, ergens waar weet-ik-veel het land binnenstroomt?