Bonbons

Op de bovenste verdieping van onze chocolaterie in Boedapest keek ik uit het raam en zag mijn compagnon Kóvacs het weeksalaris overhandigen aan een paar van onze medewerkers als waren zij loonwerkers in de agrarische sector. Niets was minder waar. De vrome zeloten hadden met tricot handschoentjes onze bonbons in prachtig versierde kartonnen doosjes met het logo Komkomchoc geplaatst, niet ver van de Grote synagoge aan de Dohánystraat. De gorgonzola-bonbons met witte chocolade vonden gretig aftrek. In de Marie Claire van 22 juli 2013 werd gerept over lekkernijen op basis van oude en unieke Nederlandse recepten en specialiteiten, zoals chili of gembersnoepjes. Dat het geld van mijn ex-vrouw zijn pendant zou krijgen in een bonbon van steranijs met een ganache van room en pure chocolade is wellicht ironie. Maar dat maakte die lekkernij er niet minder om. Onze meester patissier had een opleiding gevolgd in de koekenstad van de Vlaamse duivels, of bij de kiekenfretters, daar wil ik af zijn. Eenmaal terug in Boedapest had hij de omgebouwde garage net buiten de stad tot zijn beschikking om tot de meest waanzinnige creaties te komen. Ik meen te herinneren dat het pronkstuk een praline met visextract was. Als ik in de hoofdstad van de Donaudelta was, zo’n twee keer per maand van donderdagavond tot maandagochtend, mocht ik even proeven. De persoon die kokkend over de plee hing als zijn vader weer eens chocolade klompjes had meegebracht van een van zijn buitenlandse reizen herkende ik niet terug. De chocolade was destijds wellicht substituut voor liefde, maar ook te veel liefde werkt verstikkend. Na veertig jaar ging de chocolade er weer in als koek. In de goudkleurige Volvo van mijn compagnon reed ik de lekkernijen van de keuken naar de winkel, toch bijna een uur rijden. Als verlicht directeur uit het land van de mayonaise zou ik deze neoliberale uitdaging in dit voormalig Warschaupact land eens snel aan de man brengen. De didactische veldwerker komt wel even vertellen hoe het moet. Ik stuurde samen met mijn compagnon onze werknemers aan, negen mannen en vrouwen. Op piekdagen stonden we zelf in de winkel. Onderin de kelder werd voornamelijk aan de ziel gedacht. De vrouw van mijn compagnon gaf heimelijk yogalessen om zich vervolgens met haar studenten toch weer op de bovengrondse lekkernijen te werpen. Ook de chocoladefondue was inmiddels populair geworden onder diplomaten uit de buurt. Nu, thuis, met de hagelslag op mijn brood, maak ik de balans op. We zijn heel wat centjes armer. Recentelijk kreeg ik nog een Hongaarse naheffing van de belastingdienst omdat een van onze werknemers niet op de loonlijst zou hebben gestaan. Orbán krijgt veel uit Europa, ook veel gedaan trouwens, maar het is nog altijd niet genoeg. De chocolade is opgedroogd en onze meester patissier is bijenkoning. Hij bleef een beetje in de zoetigheid hangen. Mijn compagnon is gescheiden en durft me niet meer aan te kijken. Het geld voor de stroopwafels werd gebruikt om de schulden af te lossen. Wist ik veel. Toen ik daarachter kwam, zijn er heel wat fonduestelletjes gesneuveld. Dromen zijn prachtig, maar ik ben maar wat blij dat heden ten dage Nijhoff op het menu staat. Daar kun je op blijven kauwen.

Plaats een reactie