We eten een boterham. Ik heb een gebakken eitje gemaakt. Daarna eten we een broodje met speculaas. De laatste sneeuw is opgelost. Ik kijk naar je mooi gevormde wenkbrauwen. Je hebt je haar in een staartje, maar je ponyhaar valt naar voren. Met een lichte beweging strijk je het achter je oren. Je huid is gaaf en glanzend. Je oortjes zitten zo prachtig tegen je schedel aan. Je hebt een rose t-shirtje aan. Dit beeld. Dit beeld van jou. Van wie je bent. Dat beeld dat niet te vatten is. Dat beeld van de ander. Het beeld dat je wil opslaan, koesteren, aanraken, drinken, maar waar je net te laat voor bent. Het beeld waarin je wil samenvallen en oplossen.
‘Kinderen kijken slechts terloops op naar de natuurpracht en de schitterende zonsondergang waarin ze, geheel opgeslorpt zitten te spelen, en als ze al eens ‘troost’ behoeven dan is dat voor de concrete ongelukken in het leven (een schaafwond, een gestorven huisdier, een ruzie met vriendjes) en niet om een permanent aanwezig ‘metafysisch’ verdriet. Het zijn de ouders die, vanachter de ramen van hun ingerichte huiskamer, nostalgisch naar de kinderen en de natuur staan te kijken en vervuld worden door diepe treurnis bij de gedachte aan de vergankelijkheid van alle dingen.’ (De Martelaere in Wat Blijft)