Hoe brengt een nieuwe levensruimte van een gewaardeerde collega je bij de brug bij Bommel? De weg op de fiets van een docent geschiedenis mondt uit in een historische fietstocht. De brug bij Bommel, hoor ik je denken? Dat was toch …, die dichter …, hoe heet ie ook alweer?
Nijhoff. Klopt. Het sonnet ‘De moeder de vrouw’ uit 1934 is wellicht het bekendste gedicht van Martinus Nijhoff. Het roept het beeld op van een psalmzingende vrouw op een schip, waarin de ‘ik’ zijn eigen moeder meent te herkennen. Over het ontstaan van het gedicht bestaan verschillende verhalen. Hans Philips, vriend van Nijhoff en klavecinist, heeft ooit gewag gedaan van zijn wandeling op de nieuwe Waalbrug waar hij ‘ineens op die grote, lege rivier een schip zag aankomen, waarop een vrouw, alleen aan dek, psalmen stond te zingen’ en nog eens ‘wandelend bij de sluizen in Vreeswijk, een vrouw had gezien aan boord van een schip, die hem bijzonder trof door de sprekende gelijkenis met zijn (Philips) moeder’. Nijhoff glimlachte alleen, zei niets, en veertien dagen later legde hij zijn vriend ‘De moeder de vrouw’ voor. Het gedicht is opgedragen aan ‘de moeder van Han Völlmar’, mogelijk een bijnaam voor Hans Philips.
Victorine Hefting, die met Nijhoff bevriend was tot aan zijn dood, vertelt erover: ‘Met Hans Philips ging ik een keer naar Zaltbommel, waar zijn moeder woonde. Het was een prachtige dag en rond theetijd zaten we in het gras aan de rivier en zagen daar een schip onder de brug door komen met een vrouw aan dek die helemaal in het zwart was gekleed. Hans zei toen al dat Pom’ – de koosnaam van Nijhoff – ‘van dit beeld, van dat strakke zonnige water waarover een vrouw in het zwart kwam aanzetten, zeker een gedicht zou maken, en toen we terug waren in Utrecht heeft hij dat verhaal in mijn tegenwoordigheid aan Pom verteld … Pom nam het heel aandachtig op en liet het Hans meteen daarna nog eens vertellen … Hans had heel goed aangevoeld hoe symbolisch dat beeld was … ‘
Ikzelf ken de versie van Nijhoff en zijn vriend Hans Philips die uit fietsen gaan en pauzeren bij de Waal om een broodje te eten. In de verte zien ze een aken aankomen met een vrouw op het voordek die psalmen zingt. Ze fietsen terug en twee weken erna komt Nijhoff zijn gedicht triomfantelijk voorlezen op de Oude Gracht 341, bij Hans (Philips) en Pijke (Koch).
Hoe het gedicht alles overleeft en inspireert, blijkt uit het feit dat in 1996 een vervangende nieuwe (‘vier stokken’) brug de naam kreeg van de dichter van het gedicht: MARTINUS NIJHOFF-BRUG. Een aantal dichters liet zich tot pastiches op het gedicht overhalen (zie NRC-Handelsblad dd 5-1-1996).
En nu komt alles bij elkaar. De historica op de fiets die de ‘twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden’ buren laat worden, ‘een minuut of tien’. Het gedicht als reminiscentie van de (oude) brug over de Waal bij Zaltbommel.
En ben je daar, stap dan af, ga in het gras liggen en laat de toon die aangeslagen is door het intrigerende ‘overzijden’ doorklinken in het dubbele rijm van ‘wijd en zijd’ en ‘oneindigheid’. Met andere woorden, wat je hier doet én wat Nijhoff hier doet, is niets anders dan wat de Hollandse meesters eens in hun tekeningen en schilderijen hebben gedaan en Nijhoff ook al in het gedicht ‘Het Veer’, namelijk het rivierenlandschap evoceren en, in de verstilling van het haast eindeloze perspectief, dat landschap naar het wezen treffen en zo de beschouwer dringen tot woordeloze contemplatie. – De verstilling wordt nu voortgezet in het vervolg. – Ontspannen genietend van je thee en liggend in het gras neem je het wijde landschap in je op. Je raakt er geheel van vervuld en het maakt een zodanige indruk, dat het je – in verwijding – voorkomt als een oneindigheid, onbeperktheid van zowel ruimte als tijd (en waarmee Nijhoff met ‘overzijden’ suggesties provoceert van filosofische of religieuze strekking).
De moeder de vrouw
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.