Het tuintje was al drie keer omgespit. De zes vakken waren gevuld met bloemen en boontjes, om en om. Op het stukje met brandnetels had ik graszoden gelegd zodat ik kon kijken naar het slootje en sjalotjes aan de overkant. De dahlia’s bloeiden prachtig. De bolletjes had ik in
het vroege voorjaar zorgvuldig in de grond gestopt. De tuinkers was inmiddels door mijn vrouw verwerkt tot pesto. Toen kwam het mailtje. De tuinder wilde, ondanks zijn ziekte, het tuintje zelf behouden en het samen met zijn vrouw voortzetten. Zo gaat dat met de verbeelding, dacht ik. Het schept vrijheid, ruimte, dromen en tuinkers om ingehaald te worden door de zwaarte van de werkelijkheid, wat werkelijk ís. En de werkelijkheid kende geen moestuintje.
Is literatuur uitdrukking van die zwaarte of een uitdrukking van de verbeelding, vroeg ik me af. Of een product van de verbeelding met als functie om die werkelijkheid te kunnen dragen, om ermee om te gaan, als vlucht misschien? Is het blije gezicht van de verbeelding juist niet dé manier om de zwaarte toch weer in huis te halen? Het licht om in de donkerte een weg te vinden, althans om die illusie voor een kort moment te koesteren, totdat het licht uitvalt, de batterij op. En hoe zit het als de werkelijkheid zelf gelogen is? Wat is dan nog de functie van literatuur?
Wanneer het hele idee van de roman, als teken voor de gelogen werkelijkheid, overboord moet, wat blijft er dan over van de werkelijkheid, van mijn verbondenheid met de wereld, voor de wereld van tandenpoetsen, boodschappen doen en moestuinieren?