Maar wij

Het was in een wat kleinere plaats net onder een provinciestad. Er stonden al aardige boompjes in de laan die prachtig kleurden als de herfst in de winter overging. Tussen het trottoir en de weg lag een lief groenstrookje als buffer voor spelende kinderen. Sophietje zat op de bank, benen omhoog, kopje thee in de hand, en dacht aan de magere jaren die nu toch lang geleden leken. Het canaille was bezig een kozijn te slopen en het bijbehorende geluid werkte aardig op de zenuwen. Tuin, omheining, keuken, alles werd gezien als potentieel verbouwobject, want geld uitgeven tijdens een pandemie kon alleen in huiselijke kring. De kinderen speelden buiten, met hun fietsjes, de afgestompte stukjes stoepkrijt, de takken uit het achterliggende bos. De blaadjes vielen tot het laaste blaadje definitief vaarwel zwaaide en de kinderen met lampionnetjes voor de deur stonden. ‘Maar wij, we hadden God mee en de zon en de lucht en de landen, allemaal dingen die ze niet konden omkappen of cementeren.’

Plaats een reactie