Het was een vreemde voorjaarsdag. Scherpe, gouden lentezon die plotseling overgaat in doffe, vochtige, zware, grijze wolken. Het weer was onheilspellend. Ik was buiten, goed bedekt met twee jassen en een sjaal. De locatie was de begraafplaats Zorgvlied aan de Amsteldijk. Ik was daar om een zeer trieste reden. De uitvaart van een van mijn liefste studiegenoten.
Ik ontving een bericht van zijn plotselinge overlijden van zijn vrouw Louise, een paar dagen nadat hij was overleden. Ik stond als steen voor het raam. Ik dacht aan Jan, aan de bundel Thebe van Achterberg die we op zijn zolderkamer hadden geanalyseerd, aan zijn lach en ik besefte hoe kwetsbaar het leven was. Ik vroeg een paar andere studiegenoten of ze nog contact met hem hadden gehad. Tot mijn schrik was er niemand. Ik voelde me heel alleen. Met wie zou ik mijn gedachten over Jan kunnen delen? Hij verdiende het om herinnerd te worden. Ik belde Martijn. Sinds hij terug is uit Zuid-Afrika bezoekt hij ons af en toe. Hij kende Jan zeker. We besloten samen naar de uitvaart te gaan.
De rouwzaal zat stampvol. Ik kende heel weinig mensen. Jan was belangrijk voor me. Waarom? Toen ik 3 decennia aan geheugen terugdraaide, begon ik mijn gedachten aan onze studietijd weer tot leven te wekken. Hij kwam ons ambitieuze en kleine gezelschap binnen met een permanent onschuldige glimlach op zijn gezicht. Hij zag de wereld als één grote uitdaging, een die hij vastbesloten was te omarmen en met beide handen te omvatten. Die glimlach was onderdeel van een ambigue gelaatsuitdrukking. Zijn glimlach werd ondersteund door zijn doordringende, onverschrokken donkere ogen. Ze verankerden je ter plaatse en sloten je uit van complexe kritiek of commentaar op zijn vertaalwerk waar hij tijdens onze studietijd al behoorlijk aan verdiende. Het duurde even voordat ik doorhad welk effect hij – onbewust – op je had. Het kostte wat tijd om aan hem te wennen en vertrouwd met hem te raken. Je werd even met jezelf geconfronteerd als Jan fronsend keek. Dat wilde je niet. Gelukkig veranderde dit bijna, net als het wisselvallige weer dat ik vandaag meemaakte, zodra hij weer verscheen in zijn ‘standaard’ glimlach.
Op een maandagochtend kwam Jan naar me toe en vroeg me hem te volgen naar het raam in zijn kamer. Hij wees naar iets op de parkeerplaats. ‘Daar’, zei hij resoluut. Eerst begreep ik hem niet. Jan was altijd een beetje cryptisch en mijn Nederlands was in die tijd nog niet zo goed ontwikkeld. ‘De mooie auto daar’, wees hij trots. ‘Mijn God!’, dacht ik. ‘Welke?’, sputterde ik nerveus terwijl ik een parkeerplaats vol auto’s afspeurde. ‘Het schitterende design icoon – die grijze Lelijke Eend daar – wat anders? Ik heb haar 2 dagen geleden gekocht, ze is zo prachtig, zo beeldschoon, ik ben super trots. Wat vind je?’ Ik verstijfde, wat moest ik zeggen? Jan wilde de waarheid.
Mijn eerste auto was ook een design icoon. Het was een VW Kever. Envelop beige. Het verschil was dat ik mijn droomauto pijnlijk had moeten achterlaten, omdat ze me steeds een arm en een been kostte aan reparaties. Ik wist gewoon dat dit heel snel Jans lot zou zijn.
Ik keek hem aan en vroeg: ‘Kun je deze unieke auto betalen?’ Het deed me wankelen. Zijn antwoord staat in mijn geheugen gegrift. ‘Mijn vertaalsalaris heeft dit mogelijk gemaakt’. ‘Dank je’, voegde hij er zachtjes aan toe. Ik werd het zwijgen opgelegd.
Jan is 4 jaar bij ons gebleven. In 1988 ging hij verder. Ik heb hem nooit meer gezien, maar ik heb zo vaak aan hem gedacht.