‘Na een vlakte te hebben doorlopen die brandt in de zon, kom ik ze tegen.
Ze wonen niet aan de weg, vanwege het lawaai. Ze wonen in de onbebouwde vlakte, rond een bron die alleen de vogels kennen. Vanuit de verte lijken ze ondoordringbaar. Maar zodra ik naderbij kom, maken hun stammen zich van elkaar los. Ze ontvangen me behoedzaam. Ik mag uitrusten, me verfrissen, maar ik voel dat ze me argwanend in het oog blijven houden.
Ze vormen samen één groot gezin, de oudsten wonen in het midden en de kleintjes, die nog maar pas hun eerste blaadjes hebben gekregen, zo’n beetje her en der eromheen, maar zonder zich ooit af te zonderen.
Het duurt heel lang eer ze oud zijn en sterven, en ze houden hun doden staande tussen hen in, tot ze eindelijk tot stof verpulveren.
Ze zijn trots op hun lange takken, waarmee ze elkaar, als blinden, geruststellen dat ze er nog altijd zijn. Als de wind zich buiten adem blaast om ze te ontwortelen, maken ze heftige gebaren van woede. Maar onder elkaar maken ze nooit ruzie. Als ze ruisen, ruisen ze eensgezind.
Ik voel dat zij mijn eigenlijke familie moeten zijn. De andere zal ik snel vergeten. Die bomen zullen mij langzaam in hun midden opnemen, en om dat waardig te worden leer ik wat daarvoor nodig is:
Ik kan al naar de voorbijdrijvende wolken kijken.
Ik kan al doodstil blijven staan waar ik sta.
En ik kan al bijna mijn mond houden.’
Jules Renard in Natuurlijke historietjes