Ik kwam Charlotte tegen. We zaten op een bankje. Ze at een vet broodje van de HEMA, het cellofaan lag op haar schoot. We zaten naast het koperen paard, of was het van brons? Kleine wolken doorspoelden het luchtruim. Ze vertelde, bijna als excuus, dat ze thuis alleen sardientjes en tomaten had. Ze schoof iets mijn richting op en sloot haar ogen, de glanzende huid leek van zacht satijn. Haar iets te grote neus stak liefdevol af tegen de kleine, zwoele mond, met lippen die net iets te strak op elkaar stonden en haar iets onbereikbaars gaven. In haar uitbundige ketting zat een lichtblauwe steen met bruine figuurtjes die me deden denken aan de dansende vrouwen van Matisse. Haar wenkbrauwen waren volstrekt symmetrisch, boogjes die gracieus eindigden. Ze had een smal gezicht. ‘Nooit willen bezitten’, bracht ik uit. Ze vroeg wat ik bedoelde. ‘Ik hoef je nooit te bezitten’, herhaalde ik zachter, bijna woordelijk. Ze bloosde en keek opzij. Toen pas zag ik dat zij donkere nagellak had, en dat de kleur detoneerde met de kleur van haar teennagels, die gedeeltelijk uit het elegante schoentjes staken. Haar borstjes wapperden vrolijk heen en weer in haar losse bloesje, of fantaseerde ik dat? Waarom wil ik haar voor altijd inbeelden, vroeg ik me af. Waarom laat zij nog steeds zo’n onuitwisbare herinnering achter na al die jaren? Op welk droombeeld werd ik verliefd? En waarom was de wens om mij af te stemmen op het beeld dat zij van mij had bij lange na niet ingelost? Misschien was deze liefde wel de wens en meest ultieme poging om werkelijk op te gaan.
‘Ben je al lang alleen?’ vroeg ze me? Ik schraapte verlegen mijn keel, en keek wat geschrokken haar kant op. Ik was niet gewend van haar dat ze me intieme vragen stelde. De ingetogenheid van haar persoonlijkheid liet dat zelden toe, zo was mijn ervaring destijds. ‘Ach, wat is lang’, zei ik nietszeggend. Haar licht getinte benen deed ze over elkaar. Mijn aandacht verschoof naar de twee bovenbenen die op elkaar lagen. Mijn aandacht verschoof naar de onmetelijke ruimte tussen die twee licht getinte benen, die geen ruimte was. Ik wilde met haar samenvallen en zij gaf mij nog altijd het idee dat ik die verbeelding kon verwezenlijken. Daar zat ik als ‘willekeurig schepsel van de wereld’ tussen twee benen en een vet broodje van de Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam. Verloren, zoals ik me lang geleden in haar verloren had, en nooit meer had teruggevonden. ‘Ik hou van je’, sprak ze op een eerder vragende dan constaterende toon. ‘Je bent vrij, net zoals ik, en je moet uitkijken voor vrouwen die je uitzuigen!’ Het was stil. ‘Jij moest jouw wens om mij te veranderen loslaten, ik moest op mezelf vertrouwen.’ Ze bracht me in verlegenheid. Eens was zij degene die luisterde; ik was degene die eloquent mijn verbale paradepaardjes ten beste gaf. De geschiedenis had onze rollen omgedraaid. Het bronzen paard bleek nog meer te glimmen dan eerder, zo leek het. In het tasje brandde I nostri antenati van Calvino, dat ik zojuist bij de boekhandel had gekocht. Ik vergat de mensen om mij heen.
Prachtig geschreven vol melancholie 💛
LikeGeliked door 1 persoon