Met acht jaar krijg je een nieuwe fiets. Nog enigszins wankelmoedig stap je op de tweewieler, maar na twee bochtjes ben je al behoorlijk zeker. En na een week ben je vergroeid met het zadel. De fiets is zacht zeegroen, het rekje voorop prijkt trots aan het stuur. De lichtjes geven licht door ze aan te drukken, dat had je snel in de gaten. ‘Drie versnellingen’, zeg je trots. En toch gaat het mis. Opgroeien gaat met vallen en opstaan, maar het kan echt helemaal misgaan. Want als je opgroeit, verken je de weg, doe je net iets meer dan je aankunt.
De stoeprand was te hoog, je viel. En ze rijden daar zo onredelijk hard met hun grote auto’s. Het verhaal stopt hier. Ze is inmiddels begraven. Haar lievelingsjurkje wappert elke nacht voorbij, als een jonge vogel die wilde vliegen, maar niet verder mocht. Jouw gezicht zal mijn gezicht plooien. De vraag wat ik had kunnen doen, zal met mij meegaan op mijn grote reis, en in de ogen van het meisje in Gaza, zie ik mijn eigen meisje, wie dan ook.