Al gauw maken we uitstapjes naar de onverkwikkelijke jeugd van mijn moeder. Hoe vaak opgenomen in het ziekenhuis? Hoeveel ernstige ziektes? Hoeveel verwachtingen voor het leven? De vier zussen, van wie mijn moeder de oudste is, komen in een gefrustreerd gezin terecht. Geen voetballertjes voor AFC, zeg maar. Een vader, mijn opa, met een eenvoudige baan. Zijn eigen vader Peet was een tamelijk gefortuneerde tabakshandelaar met een stevig pand in Hilversum, zijn moeder Caro had het conservatorium piano gedaan. Peet leefde van 13 februari 1884 tot 27 november 1964. Caro van 14 maart 1890 tot 2 november 1983. Ik ging weleens bij haar langs toen ik in Amsterdam studeerde. Een krasse in politiek geïnteresseerde dame met prachtig opgestoken grijs haar als een suikerspin. Vijf kinderen hadden ze, van wie mijn opa de oudste. Ik schrijf het maar op, voordat de tijd alles verteert en verslindt. Het oudste kind was Joop, mijn opa (9 juni 1913 – 19 juni 1995), het tweede Hans (29 oktober 1914 – 15 oktober 1999), het derde Lieneke (de lieverd, dat herinner ik me goed, 8 juni 1916 – 22 oktober 1999), het vierde tante Riet, nog een lieverd (29 juni 1922 – 18 augustus 2018). Riet stierf toen ik aan het onderhandelen was in Kroatië over de televisie, die mijn vrouw had laten vallen bij het verschuiven van het kastje waar het ding opstond. Het jongste was Boelie (16 december 1924 – 5 augustus 2002). Mijn opa, Joop, werkte ruim veertig jaar bij de KLM. Hij was chef vrachtvervoer. Onderaan dat lijstje van Claudi, de man van Riet, die er blijkbaar een genoegen in schepte bijna alle familieleden te voorzien van een geboorte- en sterfdatum, staat mijn moeder Flopke. Ze is geboren op 25 december 1939 en in onze handen gestorven op 26 november 2012. We begeleidden haar al zingend de vormeloosheid in.
Haar blik heeft slechts oog voor mij.
Mijn moeder is geboren in de Okechemstraat in Amsterdam-Zuid, achter het Concertgebouw. Ze is gestorven in het Academisch Ziekenhuis Utrecht, een paar uur nadat ze na een black-out gevallen was op de antieke tegeltjes in de keuken. Door de bloedverdunners en de alcohol is haar bloed als een razende door haar schedel gesijpeld. Zelfs toen ze opgebaard lag, bleef ze doordruppelen uit haar oor, alsof ze ons nog even nadrukkelijk wilde wijzen op haar aanwezigheid. We zaten om haar heen op de kerkbanken, dronken kopjes thee en maakten haar oor schoon. Na de val heeft ze nog een wijntje gedronken, is op bed gaan liggen, kreeg hoofdpijn, werd doof en nog voordat ze door de ambulancebroeders van de trap werd gedragen, was ze al buiten bewustzijn. Opkomst en ondergang gaan met tranen, ecce homo. Ik ken mijn moeder van gebroken benen, van verwaarloosde poezen met vlooien, van drank, van het kind dat ik was, van haarstukjes en namaakwimpers, van het boekje dat niet voor mij bestemd was, van grote potten thee met vier theezakjes, van verhalen over Frank Sinatra en Ziggy Stardust, van een groots en ook roemloos leven. Je moet het geloven.
Alleen ik weet wanneer ze het koud heeft.
De melancholische avondjes draaide om Franse chansons. Ik bonkte met mijn hoofd op het kussen. Mijn stapelbed werd tot aan de schroefjes uit elkaar geschoffeld, totdat ik van vermoeidheid in slaap viel. Functioneel, dat zeker. Maar ook de geruststelling van het bewegen, de latente, opgekropte gevoelens voor mijn ouders en de zekerheid van een klein universum waar ik door ritmische herhalingen het zelf voor het zeggen had.