De gang naar het ziekenhuis is tergend langzaam, de gang van onmiskenbare desintegratie van geest en lichaam, de ontmanteling van waardigheid, waarin ik, eenmaal plaatsgenomen in de wachtkamer, mijn zelf, die fictieve constante, laat afvoeren als een lam naar de slachtbank, nadat ik eerst nog stuiptrekkend in de tijdelijke veronderstelling verkeer dat het om mijn vacht gaat, totdat mijn hoofd zich definitief overgeeft, mijn denkende en verstandige ik, mijn erudiete ik, schroomvallig, door te denken dat ík daar toch zit, dat ik toch iets bereikt heb, dat ik me kan meten, academisch gezien, met de figuren die me straks zullen onderzoeken, maar uiteindelijk volledig, afhankelijk en teruggebracht tot staatjes, ziektes en medicatie. ‘Kunt u me volgen?’ hoor ik de cardioloog resoluut maar vriendelijk zeggen. Ik heb lang gedacht dat dit metaforisch taalgebruik iets was van literatuurtheoretici, maar het hele leven is sinds Aristoteles doorspekt van beeldspraak en, ook voor hem, de beste manier om vat te krijgen op de weerbarstige werkelijkheid, het lichaam zonder hoofd. Voor me ligt een gekleurde folder van het hart, kindertekening, gescheiden door het tussenschot – ‘dat is het septum, meneer’ – dat het hart in een linker- en rechterhelft verdeelt, met boezems en kamers – ik ga me er nog thuis voelen – die het bloed in de juiste richting pompen. ‘Ik ben zo afhankelijk van die pillen’, hoor ik me nog op de valreep zeggen, meer als opmerking voor mezelf dan als mededeling voor de arts, die trouwens ook al bijna uit zicht is. Maar eenmaal in de gang gekomen, realiseer ik me dat dit verhaal me weer terugbrengt, bij mezelf.