De drie teckels

Op papier ben ik leuker dan in het echt, maar elke vorm van fictie heeft een werkelijkheid nodig wil zij overtuigend zijn. Zo dacht de verteller toen hij zich aan zijn verhaal over de drie teckels zette. Even het verhaal, de protagonisten en de ruimte schetsen. God, de God van Nescio zag alles.

A Rebours stond boven de etalage, met daaronder bouw van violen, alten en celli ter verduidelijking. De matte vitrage ontnam het zicht aan de rest van de winkel, het atelier, een toonzaaltje, de deur naar de kelder en de winkel. Naast bouwer werkte er een illegale hulp in de huishouding die was blijven hangen, nadat haar hele familie was uitgezet.

De deur ging open. In stoet drie teckels, een jongeman en een lichtelijk struise dame, geëxalteerd in de mond. Beter een levende hond, dan een dode leeuw, dacht bouwer. Het schelletje van de deur maakte bouwer lichtelijk nerveus. Hij had zijn buik vol van die gefixeerde openingstijden die na een hevige, echtelijke ruzie waren vastgesteld. Bouwer omklemde met zijn ene hand een cello van een getalenteerde musicus, de andere hand hing willoos naast zijn lichaam. Alles is lucht en leegte, dacht bouwer.

De jongen gleed langzaam op het bankje dat naast de vitrinekast met violen stond. ‘De mond’ kwam bij de toonbank staan en wachtte totdat bouwer zijn ene hand had geleegd. Bouwer keek afwezig. Hij had geldzorgen.

‘Deze jongeman wil een instrument’, herhaalde de mond. Inmiddels waren de teckels gaan snuffelen in het achterliggende toonzaaltje, waarvan de deur op een kier had gestaan. Tussen teckels en violen ontstond een gemeenzame samenspraak, die binnen luttele minuten werd opgevoerd. ‘Mijn speeldiertjes’, verzuchtte bouwer en liep verontrust naar het toonzaaltje waar inmiddels een behoorlijk kabaal te horen was. Onwillekeurig moest bouwer denken aan de atonale muziek met stofzuigers die het radiootje het atelier diezelfde ochtend had gevuld. Bouwer werd boos. Hij hield niet van atonale muziek, zeker niet uit de mond van onderkruipsels en buikschuivers. Met een resolute beweging die niets aan twijfel overliet, dirigeerde bouwer de teckels uit het toonzaaltje. Bouwer hoorde Brahms op de achtergrond. ‘De romantiek’, ontsnapte nog net uit zijn mond, terwijl hij terugliep naar de winkel.

Al het nodige werd gedaan. Het huurinstrument werd zo gevonden. De aanbetaling was geen enkel probleem. Er werd een datum afgesproken en een formuliertje ingevuld. Bouwer leefde van huurinstrumenten die wat financiële zekerheid gaven. De markt was kapotgemaakt door Chinezen. Bouwer zag de mond gaan, de jongen en twee teckels. Toen hij verstrooid terugliep naar het toonzaaltje, vond hij de derde teckel dood op de grond. Het kammetje van een cello had gewonnen en de snaren striemden in zijn kopje.

Bouwer had wel meer vervelende klanten. De werkelijkheid is zoveel weerbarstiger dan de gecreëerde en verbeelde beschaving.

De Martelaere

In het Boeddhisme wordt ervan uitgegaan dat het bewustzijn zich niet beperkt tot de hersenen, de beelden die de inhoud vormen van ons bewustzijn. Op grond van onze (beperkte) zienswijze zouden wij menen dat het bewustzijn gerelateerd is aan ons ego, en ons het idee van afgescheidenheid geven, uitdrukking is van die afgescheidenheid, en dat het bewustzijn na ons sterven uiteenvalt. Pas dan zou volgens het Boeddhisme blijken dat deze zienswijze onjuist is. Dat ons bewustzijn veel ruimer is, en intact blijft na onze dood, en ons verbindt met alle existenties van deze wereld. Ik heb dat altijd een wonderbaarlijke veronderstelling gevonden. Dat we wezenlijk veel meer verbonden zijn met anderen, met de wereld, de natuur, maar dat onze geconditioneerdheid ons ervan afhoudt om er op deze manier naar te kijken. Misschien alleen in opperste momenten van geluk – in de overgave aan de ander – beleven we iets van het oplossen van onze afgescheidenheid. Patricia de Martelaere schrijft in haar prachtige essay Wat blijft, dat ik voor deze reis bij me heb en voorzie van notities en data: ‘Toen Hume (David Hume was een 17e eeuwse filosoof die veel geschreven heeft over causaliteit) op zoek was naar ‘iets’ in de verzameling van onze waarnemingsbeelden wat een positieve inhoud zou kunnen geven aan de identiteit van ons bewustzijn, moest hij jammerlijk vaststellen dat iets dergelijks niet te vinden was. Hij vergat echter te kijken naar het voor de hand liggende maar ongrijpbare: de lege ruimte ‘tussen’ de beelden, het niet-iets dat de oergrond vormt van de persoon die we zijn. Het probleem is natuurlijk dat deze ruimte, als leegte, niet afgebakend of begrensd blijkt te zijn, zodat ze geen basis kan vormen voor onze individualiteit, ons afgescheiden zijn van andere personen. Het ‘iets’ van onze beeldencollectie mag dan nog verschillen van andere collecties, in het ‘niets’ dat tussen de beelden ligt zijn alle collecties een en ononderscheidbaar.’ En nu komt het: ‘Voor het boeddhisme is dus echter geen probleem maar integendeel een feit, en zelfs het meest wezelijke feit van het universum: onze diepste identiteit is niet die van beelden die ons bewustzijn vullen, maar die van de leegte of het niets dat tussen de beelden ligt.’ Ik ben altijd weer overdonderd door de schoonheid van deze woorden, door de diepe kern die in het Boeddhisme ligt, door het weinige dogmatische van deze levensovertuiging (het Boeddhisme ziet zichzelf niet als godsdienst).

 

De terugkeer

‘Verdwijnen en stilte hangen samen. Door dit allemaal te hebben doorstaan, heb ik geleerd dat je stilte moet opzoeken. We denken dat het een goed idee is om je gevoelens uit te spreken, maar ik vraag me dat af. Je wilt soms de ruimte hebben om te zwijgen. Niets is mooier dan begripvol zwijgen. Taal is eigenlijk een probleem, ze is in feite een vertaling van het zwijgen, van wat je voelt. De essentie ligt ook bij de ruimte voordat ideeën zich hebben gevormd tot woorden.’ (Hisham Matar in het NRC Handelsblad Boeken van vrijdag 2 september 2016)

De schrijver met de hamer

Een constante factor in de romankunst is de ontmaskering van de mens, merkt Marek van der Jagt (alias Arnon Grunberg) op in Ik ga van hand tot hand. Dat doet zij ‘met een woede en agressie die onmogelijk kunnen zijn voortgekomen uit een diepe behoefte de wereld te omarmen.’ De vraag naar het goede houdt filosofen al eeuwen bezig, maar Grunberg neemt een ander standpunt in. Het is het kwaad dat centraal staat in zijn werk. In navolging van Nietzsche maakt Grunberg het hele morele systeem van christelijke West-Europese zeden met de grond gelijk. Dat systeem is gebaseerd op de leugen en laat zijn gezicht op vele manieren zien.

Volgens Grunberg is de verhouding tussen lezer en schrijver te vergelijken met die tussen patiënt en therapeut. Het is de lezer die zichzelf leest. Het is Grunberg vooral te doen om hulpverlening. In Omdat ik u begeer toont Grunberg ons de krochten van het bestaan waar we hooguit zijn als het licht uit is. Wraak is een natuurlijk gegeven, we zijn klootzakken en hebben recht op pijn. De lezer is ziek en moet genezen. Grunberg krabt het toch al dunne vernislaagje van onze beschaving af. Wat overblijft is onze amorele binnenwereld gedomineerd door aandriften. Grunberg schurkt hiermee langs de meest in het oog springende conclusies van Nietzsche. De moraal is bovenal tégen de natuur van de mens gericht. We strijden tegen alles wat er als aandrift in ons leeft en daarmee zijn onze schuldgevoelens geboren.

Maar Grunberg houdt ons voor dat het morele systeem niet ingewisseld moet worden voor een andere illusie. Hij waarschuwt de conformerende burger die in slaap wordt gesust door een gespekte bankrekening, de wintersport en Vincent van Gogh. Daarmee omarmt de patiënt een ander vooruitgangsgeloof met dito moraal. Van genezen is dan geen sprake. De behandeling geeft slechts tijdelijk verlichting.

Dat de scherpe lucht in het werk van Nietzsche voor Grunberg op zijn beurt louterend werkt, zal niet verbazen. In de katern Boeken van De Volkskrant van 28 december 2013 laat Grunberg ons weten dat Also sprach Zarathustra in zijn puberteit zo ongeveer het boek was dat hem redde. Zo erkent ook de schrijver zijn heelmeester.

Onésime

Ici repose le corps de Onésime Morice décédé a La Ferte Saint Samson le 5 janvier 1898 dans sa 54me aneé muni des secrements de l’ eglise il estregriteé de sa famille. Nooit eerder, nee, nooit eerder stond de kruiwagen tegen de conifeer, gekanteld in dat warme zomerlicht. Een ondiepe bak op buizen die doorlopen en eindigen als handvat. Geroest, verweerd. Het geribbelde, massieve bandje uitgeteerd. Het wieltje heeft zes spaken, zes spaken, tel ik. Ik vraag me af of Morice Onésime hier nog mee gelopen heeft. De tijd die loopt, verglijdt. Hij liep door de groentetuin en viel plots op de grond. Zijn familie vond hem en na toediening van de laatste sacramenten verliet hij het leven, met de donkerrode kleur van de frambozen uit zijn tuintje nog op zijn netvlies.

Verhuizing

Gelauwerd liggen de boeken in een doos, talige verbeelding in tekens, nagelaten bekentenis van fictief leven, tijdelijk geluk van vertelde tijd. Alsof de tijd nog even een heroïsch licht wil laten schijnen op wat zo even wegviel, het gras verdort, de tulp hangt, het amechtig prevelen van de laatste naam.