De petitsfours werden netjes op de schoteltjes gelegd. De framboosjes erop straalden, zoals alles straalde. Zelfs het oude hart van de gastheer had nog vijf jaar gekregen, al zijn zulke medische garanties onmogelijk. Dokter Klein uit Nieuwegein was een wonderdokter die alle onmogelijkheden tartte. Deze trochee uit het midden van het land had zijn expertise inmiddels overgedragen aan een epigoon dichter bij huis. Inmiddels waren wij op de slaapkamer waar onze mond openviel toen we het expressionistische werk van de gastheer aanschouwden. Adembenemend hoe hij, met de dood op zijn hielen, de kleurige vlakken van een noordelijk landschap op het papier had weten te krijgen. Hier was een man die zijn roeping bijna postuum gevonden had. De koninklijke onderscheidingen ter linker en rechter zijde van het bed bewezen dat gastvrouw en gastheer ook de belangstelling van onze koning hadden. Als wij dachten dat onze familie uit het westen van het land kwam, dan hadden we het ook nu mis. Er waren toch heel duidelijke sporen die wezen naar het oosten – er was zelfs sprake van ‘ereburgers van de stad’ – ook al was het onderzoek dat de gastheer hiernaar destijds had gedaan in diezelfde familie verdwenen. Alles klopte in Deventer die zondagmiddag. Ondanks de hoge leeftijd van tante en oom draaide het leven nog altijd om hen. Het was geweldig hoe weinig wij spraken over onze levens. Maar ja, we zijn ook een stuk jonger.
Afscheid laat zich niet verlengen
Op de uitvaart zaten de intimi aan een aparte tafel, vrouw, kinderen, kleinkinderen en een verdwaalde schoondochter. Ze zaten erbij alsof verzuiling op het menu stond. U mag komen maar hoort er niet bij. De burcht is onoverwinnelijk, de slotgracht diep. De tafels aan de andere kant van de zaal werden opgewarmd met kopjes koffie en belegde broodjes. Veel te vroeg gegaan, in zijn stoel, hij las de krant, actieve man, ideale grootvader. De dood kwam en rook naar aarde. Het graf was gedolven – vader mocht naast zoon – het leven afgerond. Met goede voornemens vertrokken we huiswaarts.
Assepoester
Onlangs bezocht ik mijn ouderlijk huis. In haar net iets te strakke jurk, waaronder een volumineuze boezem een weg probeerde te vinden, deed mijn moeder open. De schelle bel die mij altijd deed ontwaken, staakte dit keer. Ik had haar niet verwacht; jaren geleden was zij overleden na een val in haar keuken. De hematoom was niet meer operabel en een paar uur na de val liep het leven uit haar, nadat de beademing gestaakt was. Ik voelde haar laatste hartslag, en die van mij. Terwijl ze me de keuken inliet, zag ik dat de antieke, gekleurde plavuizen in de keuken intact waren gebleven, al waren de voegen behoorlijk uitgesleten. Ze functioneerden als knikkerbaan als zij kookte. De gerookte stukken spek, het eiermandje, de omgekeerde en geschaafde stukken hout van het halletje door mij tegen het kalkplafond aangetimmerd, alles leek niet veranderd. Op de vragen die ik stelde, gaf ze geen antwoord. In de woonkamer vond ik de geverfde kleuren-tv. Bruin was toen uit de mode, dus werd het ding rood geschilderd. De beeldbuis stond op twee houten blokken. Daarvóór lagen vier kinderen naar een programma te kijken. Ik ging ook liggen en mijn moeder liep naar boven met een glaasje whisky. Verschillende poesen die door de jaren heen waren verzameld, gingen op mijn rug liggen. We herkenden het eenvoudig zijn in en met elkaar. Na meer dan een uur kwam mijn moeder de trap af. Haar muiltjes hield ze vast. Ze had een zwarte rok aan met een witte blouse die erover viel. De parelketting schitterde door het schijnsel van verschillende lampjes die onderaan de trap stonden. Ik herkende haar niet. Het haar leek gegroeid, wimpers waren van ongekende lengte, de huid was glad als ijs, lippen staken gekleurd af tegen de bleke huid. De ogen leken groter. ‘Ben jij dat?’, vroeg ik. Het bleef stil. Statig liep ze naar beneden. Ongewild moest ik aan Assepoester denken. Het was twaalf uur, de muiltjes hadden niet gepast en ze werd weer terug in haar oude bestaan geduwd. Toen ik de voordeur sloot, bedacht ik dat ze stof was geworden. Toch Assepoester gelukkig.
Deflate House
De fiets bracht ons naar Deflate House. Neoclassicistisch hekwerk, twee gebogen oprijlanen erachter uitmondend in een monumentale deur. Twee leeuwtjes aan weerszijden van de deur op de uitkijk. Aanbellen maar? We keken elkaar schaapachtig aan. Het contrast kon niet groter. Wij, Hollandse jongens, geworteld in de klei, bezweet, korte broek, lange haren. De bel galmde door een gang. Uit haar avondritueel gewekt keek de vrouw des huizes ons afwezig aan. De honden in een nabijgelegen kamer jankten en sprongen tegen de deur op. We legden het uit. Geen camping in de buurt, nogal moe, veel gefietst. Een klein plekje volstond. We werden te verstaan gegeven te wachten. De deur ging weer dicht. Gelaten stonden we op de stoep alsof we op het toneel stonden en een aantal tegenspelers halverwege de voorstelling het podium spontaan had verlaten. We keken elkaar aan. Het begon te schemeren. Zwaluwen wezen ons op de komende regen. Net toen we begonnen te twijfelen of de woorden van de gastvrouw wel echt waren, ging de deur weer open. Twee ranke vingers met prachtige ringen wezen ons de weg naar een veldje schuin achter het huis. We bedankten hartelijk en liepen terug naar onze fietsen, die zuchtend geparkeerd stonden tegen het hekwerk. Nog voordat ons shelter tentje goed en wel stond, kwam een leptosome man op ons afgelopen met in zijn hand een pannetje. De damp die erboven uitsteeg loste langzaam op in de avondbries. Het hete water gebruikten we voor de oplossoep. Niet veel later kwam de vrouw met zelfgebakken scones. In weerwil van de geslotenheid van dat sombere huis, waren zijn bewoners uit een heel ander hout gesneden. Ook de honden kwamen later die avond joviaal gedag zeggen. Voldaan vielen we in een peilloze diepte. We werden wakker van het getik op de tent. Het regende pijpenstelen. De lucht was egaal donkergrijs. Na het schamele ontbijt van oud brood met hagelslag en oploskoffie lag er slechts één onfortuinlijke plichtpleging te wachten. Het ledigen van de darmen. Monter trokken wij ons nachtboeltje uit – het zou alleen maar nat worden – en trokken boterhammenzakjes aan, als waren het sokken. Elastiekjes zorgden dat de zakjes bleven zitten. Met blubberpoten van het aangrenzende maïsveldje waren wij nog verder van huis, zo overtuigden we elkaar. De al behoorlijke maïsplanten boden ons een prachtige beschutting tegen de kakkerij. De velletjes wc-papier bleven droog onder onze oksels. Tevreden deden we wat gedaan moest worden. Toen we beiden ons hoofd weer boven het maïsveld uitstaken, sloeg de opluchting om. De gastvrouw liep naar onze shelter met een pannetje kokend water. We bukten weer. Wezenloos keken we naar onze tenen, zo mooi in de doorzichtige boterhammenzakjes. Iets hoger tussen de planten konden we haar net zien. Ze wachtte, draalde en draalde, keek om zich heen. Had ze ons gezien?
Verras de gast voordat hij jou verrast.
Biggetje
Vanaf het moment dat biggetje geboren was, wilde hij vliegen.
Hij zit in een vogellijf, zei zijn vader. Hij had vleugels moeten hebben, zei zijn oom. Maar moeder varken zei dat hij moest wennen aan zijn nieuwe lichaam.
Een week ging voorbij, een maand en nog langer. Maar biggetje keek jaloers naar de vogels. ’s Avonds tuurde hij uit het raam naar de eindeloze hemel. Hij wilde zo graag vliegen, in de zomer, in de winter, in de herfst en in de lente.
Biggetje ging vaak wandelen met zijn papa en mama. ‘Wat ben je toch aan het dromen, biggetje.’ ‘Kijk je uit voor die boomstronk, biggetje?’ ‘Struikel niet over je voeten, biggetje.’ Biggetje keek dan naar de prachtige vogels in de bomen en lette niet op waar hij liep. Vaak gebeurde het dat hij dan struikelde over een tak of hij liep een slootje in.
Toen biggetje naar school ging, zwaaide mama biggetje uit. Maar biggetje keek niet naar mama. Hij keekt naar de herfstlucht en de vogels die hoog in de lucht vlogen. Hij keek naar de vogels die naar het zuiden trokken. Biggetje vloog mee naar verre oorden met zijn vrienden de vogels. Zachtjes murmelde hij: ‘Mag ik met jullie mee?’ Onderwijl struikelde biggetje over een stoeptegel. Mama schudde met haar hoofd achter het raam.
Op een avond las mama varken voor uit een boek. De wereld was goed en tevreden. Biggetje was moe. Mama had een lage stem en sprak over de beesten in het boek, het paard en de hond, de vogel die vloog. Biggetje werd langzaam minder moe. ‘Wat doen de vogels dan’? ‘Waar leven de vogels’, vroeg hij zijn moeder. ‘Vogels leven in de boom. Vaak vliegen ze met elkaar weg in de herfst, of komen juist hier. Ze eten vliegjes en rupsen, broodkorstjes en zaadjes’. Biggetje verdween in het verhaal van mama varken. Nog nooit had hij zich zo vogel gevoeld.
Moeder varken las veel meer dierenverhalen voor, maar pas bij de beestjes die konden vliegen, werd biggetje vrolijk. Hij vloog mee op de vleugels van de libelle. Hij landde met de enorme vleugels van de zwaan. Hij zat met andere vlinders op de vlinderstruik. Hij wentelde en buitelde als een zwaluw op zoek naar vliegjes. Moeder varken kocht nog meer boeken over vogels. ‘Wat wil je vandaag lezen, biggetje?’ ‘Over de roofvogel in de bergen’, zei biggetje dan.
Op een dag keek biggetje zelf naar de plaatjes van vogels in een boek. Ze zaten hoog in een boom en konden ieder moment wegvliegen. Biggetje fantaseerde waar ze naar toe zouden gaan. Naar warme of juist naar koude streken. ‘Wat ben je aan het doen, biggetje?’ Biggetje hoorde moeder varken niet, hij was zo met de vogels. ‘Biggetje, kom je eten?’ Biggetje gaf geen antwoord. ‘Biggetje, het eten wordt koud.’ Biggetje staarde nog altijd naar de vogels in de boom. ‘Wat is biggetje toch aan het dromen’, zei mama tegen papa varken. ‘Laat hem toch’, zei papa. ‘Hij doet er geen vlieg kwaad mee’. Mama varken verzuchtte: ‘Houd het een keer op?’
Op een avond ligt biggetje in zijn bed. Hij kan niet slapen. Beneden hoort hij geluiden van potten en pannen. Hij hoort buiten het geluid van de kraai en biggetje voelt zich zwaar, heel zwaar. Nooit kan ik vogel worden, denkt biggetje. Hij herinnert zich dat mama varken zei: ‘Hij moet wennen aan zijn nieuwe lichaam!’ Ik ben nog steeds niet gewend aan mijn biggetjeslichaam en ik word steeds zwaarder. Hoe moet dat nou? Pas laat valt biggetje in slaap. Hij valt en valt en valt en pas dan wordt hij rustig.
Zouden alle biggetjes zo zijn, dacht biggetje toen hij wakker werd. Hij keek omlaag in het trapgat. Als ik nou gewoon spring. Wat zal er gebeuren? Zal ik als enige big blijven zweven? Biggetje probeerde zijn poten te laten klapperen, en warempel, daar kwam hij toch even van de grond. Nu probeerde hij nog sneller te klapperen. Biggetje zweefde een kort moment een meter van de grond. Hij voelde zich geweldig. Nooit meer gekleefd aan de grond. Als ik maar mijn best doe en hard oefen. Met een schok werd biggetje wakker. Hij had gedroomd maar die dag voelde hij zich licht en gelukkig. Vanavond weer, dacht hij.
Luchtledig
In het gat van de wereld lagen onzinnige plannen die een of andere contingente God ons had meegedeeld, in onze dromen, waar bewustzijn sluimerend voorbijtrok, om ten slotte in het gekwinkeleer van de ochtend geheel en al op te lossen. Bewuste denkbeelden stroomden binnen en deden mij in volslagen paniek raken. Die andere God, de god van dag en nacht, was niet veel beter. Ik rekte me uit, de dag begon. Zuchtend sleepte ik mezelf naar de kraan. Misschien een wat luchtiger personage creëren. Een grote liefde, meeslepend leven, luxe voor het oprapen. Het lag niet in de lijn der verwachting. Het leven had me opgezadeld met zwaarte, met zondagen, met de klok die onverdroten doortikte, tot ik in hem ten langen leste mijn meerdere moest erkennen. Bij de buren hoorde ik het gekletter van water, de ochtendurine. Ik verzon er het achteloos krabben aan het geslacht bij, het uitrekken, het jeukende gevoel van de slaap die ternauwernood het lichaam uitsluipt
Onaangeroerd door het leven zijn, op je zadel zitten, terwijl je naar de mensen kijkt en hen roerloos en onaangedaan in de ogen kijkt. Alsof alle schuld van de wereld ons voorbijgegaan is, alsof de maagdelijke staat van zijn ons in de wieg als belofte meegegeven is! Ik vind mijn weg op de wolken, laat mij op de wind meedrijven en word nooit meer wakker. Leven volledig ingelost, transparant geworden.
Met een ruk trek ik het laatste velletje papier van het rolletje om mijn gat af te vegen. Met mijn onafgeveegde gat loop ik naakt naar benden om een nieuwe wc-rol uit de gangkast te pakken. De laatste rol is op. Het plastic waar de rollen in hebben gezeten ligt roerloos naast de flessen wijn. Als ik in de kast sta, wordt er gebeld. Hoe feilloos naïef is mijn recente luchtledigheid geweest, denk ik als ik stijf in de trapkast sta, naakt, onhandig. Er wordt voor de tweede keer gebeld, geklapperd met de klep van de brievenbus. Waarom niet bellen, denk ik? Waarom nu? Waarom dit bezoek?
Schaf, Botje, Nico en Notaris
Mijn zoektocht begint waar haar leven eindigt. Zo houd ik mij voor. Net terug van de uitvaart en de viering erna – ‘waarnaar varen wij uit?’ klinkt hol door in de muziek die ik op de terugweg heb opstaan – loop ik direct naar de schriftjes en boeken die ik in geen jaren heb ingezien. In dat typerende handschrift, letters zijn gedeeltelijk los, gedeeltelijk aan elkaar geschreven, zijn klassiek en rond en staan licht naar links, lees ik voorin het fotoalbum: wat er zo na ons huwelijk is voorgevallen – het huwelijk dat zo kort zou duren – . Het woord ‘voorgevallen’ is gedeeltelijk onderstreept, onder de letters ‘v’, ‘a’, ‘l’ en ‘l’. Voorin het album vind ik losse briefjes en visitekaartjes. Charlotte Tökör, gedipl. schoonheidsspecialiste en manicure, Mauritslaan (met kleine letter) 28, Amstelveen (ook met kleine letter). De komma’s die ik zojuist heb opgeschreven, staan er niet in. Ik vind een briefje met onbekend handschrift (mijn opa Johannes Fredericus Scheepens?) met een aantal telefoonnummers: 1. ALARM-Politie etc. 06/11, 2. Mw. de Graaf 6433344, 3. R. + Cl. v. Reenen 6412286 (de neven van mijn moeder, Roel en Claude van Reenen, zonen van de zuster van mijn opa), 4. M. + J. Stanlein 05700 13543 (Marianne en Jules Stanlein, Marianne is de zus van mijn moeder), 5. Dr. Umbgrove 6413518 (en ik vind inderdaad een huisartsenpraktijk Umbgrove in Amstelveen), 6. Mw Fokker 6193533, 7. Flopke (zoals ze vanaf haar kinderjaren wordt genoemd) 02154 15001, 8. Annette (de jongste zus van mijn moeder) 03200 31525 (de laatste vijf cijfers zijn doorgekrast en vervangen door 48231), 9. ABN-Amro, een rekeningnummer tussen haakje (4656.72.922) en het telefoonnummer 6431378 (waarbij het kengetal dus niet gegeven is). Op het briefje staat onderaan in een ander handschrift en in andere inkt: END/MEM/#/8/0320048231/MEM. Ik denk dat het om een doorkiesnummer naar Annette gaat. Ik vind een ‘viskaartje’ van groenig karton, voorgedrukt, niet veel groter dan een visitiekaartje waarop staat: C.A. Ruygh, Schoutenstraat 11, Alkmaar. Daaronder een lijstje met vissoorten in verschillende maten, met als titel: Op de navolgende vischsoorten is als maat gesteld: Het lijstje begint met de Blankvoorn, Kolblei, Ruischvoorn en Serpeling (15 c.M.), dan de Baars en de Bot (18 c.M.), de Beekforel en de Regenboogforel (20 c.M.), de Zeelt en Brasem (respectievelijk 21 en 22 c.M.), de Aal, Meun, Sneep en Winde (25 c.M.), de Barbeel en Karper (respectievelijk 30 en 35 c.M.) en Snoek en Snoekbaars (40 c.M.). In hetzelfde hoesje waarin het viskaartje zit, vind ik een briefje met daarop geschreven: Woensdag 12/10. 1938. Wind Z.Z. West. Schaf (3), Bokje (17), Notaris (6), Nico (12). De protagonisten Koekebakker, Bavink, Hoyer, Bekker en Kees Ploeger uit Nescio’s Titaantjes lopen hier zo het verhaal binnen. Ze willen laten zien hoe het moet, maar ze leggen het af tegen het leven. Ik lees verder: Totaal gevangen: 38 stuks. Dus weinig en klein, is het commentaar. Ook het weer wordt getypeerd: droog, koud weer! Weinig zon. Heel laag water ± 20 á 30 cm. Pietluttigheid? – ik kan me nauwelijks voorstellen dat je in 20 centimeter water gaat vissen, los van het feit dat je daar niet minder dan 50 vissen vangt – . Minder dan normaal. Verder wordt vermeld: Geen kroost, alle weggestormd. Daaronder: Afscheid tot 1/6. ’39 valt ons daardoor niet zwaar. Kroost weggestormd? Afscheid tot 1 juni, een half jaar later? Ik begrijp het commentaar niet goed. Op de andere kant van het vergeelde, gelinieerde papiertje staat: Woensdag 28/9. ’38. Blijkbaar twee weken eerder. De wind is Z.Z.O. Schaf, Botje, Nico en Notaris vangen nu veel meer, respectievelijk, 55, ±75, 69 en ± 50 (vissen). Totaal 249. Er is weinig wind en de schrijver spreekt over zacht, warm weer en een gedekte lucht. ’s Middags iets zon. Verder schrijft de schrijver (mijn opa?): Den gehele aan de Zuidkant van Pritertje gevischt. 23 grof, ±40 maat, slechts 10 hit (?). Boven aan de het briefje staat onderlijnd: Peet Spit.
Mijn opa, Joop, of Johannes Fredericus Scheepens, overlijdt op 19 juni 1995 in Amstelveen. Hij is dan 82 jaar oud. In het register lees ik dan Johannes Fredericus Scheepens op 9 juni 1913 geboren is in Sloten. Hij is weduwnaar van Francina Marie Diephout en drager van de Eremedaille, verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau, in goud, zo lees ik op zijn overlijdenskaart. Ik lees Bloem voor en zijn as wordt veel later verstrooid door drie zussen in zwierige rokken op de Noordzee. Mijn moeder is één van de zussen. Ze staan tot hun enkels in het zilte water als zij de urn met as omkeren en het grijze gruis door de wind wordt meegenomen, zijn leven indachtig. Stof tot stof. De vierde zus, mijn tante Carolien, is al dood. Zij sterft onder verdachte omstandigheden veel eerder in Brussel en krijgt een gemeentebegrafenis. Tijdens de begrafenis hoor ik (van wie, waneer?) dat ze dood werd gevonden in haar bed. Gestikt door een kussen dat ’s nachts op haar hoofd werd gedrukt. Ze was getrouwd met een Egyptische diplomaat.
Op 27 augustus 1960 wordt Willem Cornelis Diephout, mijn overgrootvader van moeders kant, 80 jaar. Hij geeft dan een feest voor de kleinkinderen. Ik tel op de foto 24 kleinkinderen, een aangetrouwde man, mijn vader en één achterkleinkind, mijn oudste zus. Mijn moeder is in verwachting van mij. Mijn overgrootopa wordt in 1881 geboren uit een huwelijk van Willem Cornelis Diephout, dan 41 jaar, landbouwer, met Cornelia Molenaar, die zonder beroep is. Mijn overgrootvader trouwt op 11 mei 1910 met Francina Maria van Straalen (1888-1946) die toen 22 jaar oud was. Mijn overgrootopa is dan 28 jaar oud. Francina Maria van Straalen sterft een jaar na de Tweede Wereldoorlog in Benthuizen.
De pias
‘Woon je hier?’, vroeg de man. Ik was net ontdekt achter een rozenstruik. De bloemen van rozen mogen dan welig tieren, blaadjes komen er maar karig vanaf. Ook mijn vriendje kwam tevoorschijn. Ik stamelde wat. ‘Dus het huis staat te koop?’ Ik had me inmiddels herpakt en knikte manmoedig ‘ja’. Achter de man kwam nu een vrouw tevoorschijn. Lange benen, prachtige blonde krullen, rode lippenstift, borsten die behoorlijk verstopt zaten. ‘Mogen we even kijken in de tuin?’, vroeg de man. Verstrikt in dromen knikte ik bevestigend. De vrouw bukte zich even om mijn haar te strelen. Ik rook viooltjes en nog meer bloemengeuren die ik niet kon thuisbrengen. ‘Je ouders zijn zeker niet thuis?’ De man was doorgelopen bij de vraag. Hij stond nu bij het gemetselde muurtje waar een paar behoorlijke scheuren te zien waren. ‘Ze zijn onderweg en komen snel’, bracht ik uit. Terwijl de man en de vrouw door het poortje van twee kromgetrokken haagbeukjes liepen, keek ik naar de straat waar een prachtige rode, glanzende auto stond. Een dure, dacht ik. In gedachten liep ik met de man en de vrouw mee. Dat zou niet lang duren. Door het poortje zouden ze nu in de achtertuin zijn, die gedeeltelijk bestond uit een bloementuin, met veel zorg en liefde door mijn moeder aangelegd. Het andere deel bestond uit een weitje, gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door hoge moerasvarens. Het paadje dat beide delen verbond, kronkelde tussen de varens. Wij waren gewend dat paadje langzaam af te lopen. Je moest op je hoede zijn voor dat dier dat in een opwelling was gekocht om het stadseleven een zweem van landelijkheid mee te geven. Nog voordat mijn vriendje en ik bij het poortje waren, hoorde ik een enorme gil in de achtertuin. Even daarna raasde de vrouw tierend langs me heen. ‘Snertjong’. In haar jurk zat een enorme scheur. Daaronder zag ik rood kant en witte billen. De man volgde haar op de voet. Hij had een opgeblazen hoofd dat mij deed denken aan de jelly pudding met Kerstmis. ‘Hier hoor je meer van, jongetje’, bracht hij met kiezen op elkaar uit. Ik keek mijn vriendje geschrokken aan. De auto reed met piepende banden weg. Vlak daarna kwamen mijn ouders thuis. Het huis werd nooit verkocht. Wij waren stil en gaven onze bok te eten.
De zitting
In de spiegeling van de zomerzon schoof één van de zes beklaagden naar voren op verzoek van de rechter. De rechter las voor, de beklaagde luisterde. Of de beklaagde er nog iets aan toe te voegen had. Alsof het schriftelijk verweer niet bestond, begon de beklaagde uit te leggen dat zijn vrouw een ernstig hartfalen had, dat noodzaak handelen onbetwistbaar maakte, dat het nachtelijk uur geen risico voor andere weggebruikers betekende, dat het algemene alarmnummer weliswaar gebeld was, maar dat wachten daarop het geduld vereist waar gezien de omstandigheden geen sprake van kon zijn. En hartfalen was een familiekwaal. Kortom: alles wat in het verweer stond, werd door de beklaagde wederom verwoord. De rechter keek betekenisvol naar de officier van justitie. Hij had geen aanvullingen, geen vragen. De kandidaat keek glazig voor zich uit, dacht aan zijn vrouw. Zij was in die bewuste nacht gestorven. De officier verklaarde het verweer van de kandidaat ongegrond, de rechter ging daarin mee. Of de kandidaat als laatste nog iets wilde zeggen. Die begon nu hevig te stotteren. ‘Mijn vrouw, uh, de weg, leeg was het, nacht, geen gevaar voor anderen, weggebruikers’. Als een langzaam op gang gebrachte tong hete lava, bluste beklaagde zijn woorden tegen niemandsland in de hoop het deurtje van zijn oneindige verdriet ieder geval niet verder dan een kier te laten. ‘Ze lag op mijn… schoot’, prevelde hij. De woorden droogden toen langzaam op, zwegen maar. Het hoofd verdween in zijn schoot, de armen zakten langzaam naar de grond. De rechter zuchtte, te lang had deze zaak geduurd. De officier van justitie hield zijn ogen op de rechter gericht. Zijn vakantie begon hedenmiddag.
Onze vader
‘s Nachts had ik hem gehoord. Als een ekster tikte hij met steentjes tegen het raam. ‘s Ochtends vond ik hem met negen hechtingen net boven de lakens. Zijn gezicht beurs, blauw, dieppaarse streepjes met geronnen bloed. De prachtige man, de vader die mijn vader was, de vader met de grote handen, de man die ik was, lag klaaglijk in de lakens gewikkeld als de piëta van Botticelli aan de vooravond van het mysterium tremendum. Mijn vader had feestelijk de artiest uitgezwaaid die door een gouden plaat het sterrenrijkdom had beklommen. Als je honderden monden te voeden had en je stond aan de basis van dat rijkdom, dan kon je je wat permitteren. Op al die feesten werd hij gesouffleerd door mijn moeder die een dubbele taak had: het rijkdom benadrukken in haar prêt-à-portercollectie, inclusief hoge hakjes en namaakwimpers, en mijn vader voorzien van bruikbare informatie. Iedere medestander kon immers tegenstander worden. Mijn vader was ambitieus, een charmeur met elegante en mannelijke trekken. Tweed, pijp, donkere slag in het haar, zachte ogen en gele tanden, het type dat je in het ziekenhuis of ergens in het wild tegenkomt, met stethoscoop of jachtgeweer. Hoe hoger iemand zit, hoe dieper die kan vallen.