Pas toen ik veel ouder was, realiseerde ik me dat de grenzen van het huwelijk werden opgezocht in die personages die ik zag bewegen en praten, die ik de liefde zag bedrijven en weer bovenkomen. Er stond in aanvang iets groots op het spel. Wellicht heb ik ook gedacht dat wat zich voordeed, op een van die eerste gekleurde beeldschermen die mijn ouders hadden, iets te maken had met het ontrafelende en uiteindelijk verwoestende tafereel van het huwelijk van mijn ouders zelf. Ik werd bewust van dat ontgoochelde drama bij het zien van het toneelstuk scènes uit het huwelijk, een wat vaag aftreksel van die miniserie voor televisie uit 1974, zes periodes uit het huwelijk van Marianne en Johan, uitgestreken over twintig jaar. Het was precies de tijd dat de inflatie van dat huwelijk thuis zich definitief liet voelen. Ouders die vochten en de kinderen die daarin meegevoerd werden. Die jonge Liv Ullmann had wel wat van mijn moeder, klassiek en vrijgevochten. Alhoewel dat laatste ogenschijnlijk was; toen mijn vader vluchtte met zijn secretaresse, werd mijn moeder de bange vogel die zij in essentie al in het huwelijk was, ondanks het fatale waarmee zij mannen om haar vingers wond, of het doelgerichte waarmee zij de inrichting van ons huis ter hand nam. Een dominante vrouw met een onzekere natuur, een bange vogel met een groot romantisch hart, omringd door peuters en plantjes.
Auteur: tomdeklerk
Papieren moment
We maakten vandaag een wandeling naar Ault, vanaf Bois de Cise. Mensjes als poppetjes op het strand. De hoofdstraat in Ault ligt op de krijtrotsen direct aan het water. Geen masten, geen strand, geen baai om te stranden, geen inham, enigszins vergane glorie. (We eten er moules en frites in een café.) Ramen gaan over in golven schrijft Victor Hugo in 1837 aan zijn echtgenote Adèle Hugo. Ault, de plaats die hem het meest bevalt aan de Normandische kust, naast Etretat en Le Tréport. De huizen in Bois de Cise zijn daarentegen van een prachtige schoonheid, allure van het fin de siècle, art Deco, oud geld van rijke Parijse families die hier voor hun welverdiende rust kwamen. Ze zullen hun personeel meegenomen hebben. Terug wandelen we over het strand, op zoek naar mooie stenen met kristal. Twee buitenlanders (broers?) wijzen ons op klompjes mangaan die ze gevonden hebben. En het karkas van een hert, naar beneden gestort vanaf de krijtrotsen. Het karkas vinden we niet. Ik loop half in zee; het is eb geworden en een groot deel van het kiezelstrand geeft zichzelf prijs. Als kinderen gaan we op in het spel van strand en zee en stenen. Inmiddels zitten we weer in de tuin bij ons huisje in het boerendorp en village fleurie, Forest-l’Abbaye. De zwaluwen vliegen een metertje over me heen en verdwijnen in het schuurtje achter me. De foto heb ik niet ontvangen helaas, maar je voetjes liggen op mijn schoot en vervuld vieren we het begin van de avond, papieren moment, geruisloos niks.
Kipling
Rudyard Kipling bequeathed us one of the most famous quotations in English literature: “If you can fill the unforgiving minute / With sixty seconds’ worth of distance run / Yours is the Earth and everything that’s in it / And which is more – you’ll be a Man, my son!” That this man was once a most unhappy son was revealed in his own short story, “Baa Baa Black Sheep”, written when he was 23, and which describes his experiences as a six-year-old “Raj orphan”, sent from Bombay to live in Southsea.
Viooltjes
Publius Aelius Traianus Hadrianus Augustus (roepnaam Adrian) wordt geboren in 2009 vlakbij het kerkje waar zijn grootvader viooltjes brengt. Het kerkje wordt alleen gebruikt op bijzondere dagen, een pelgrimage in de zomer. Een paar honderd mensen strompelen dan op hun knieën door de modder richting het kerkje. Adrian wordt vier dagen oud. Op de valreep naar het nieuwe jaar sterft hij in zijn wiegje. Zijn ouders vinden hem op zijn buik. Het kamertje ruikt nog als nieuw, ongebruikt. De geurtjes zijn al snel verdwenen, de luiers opgeruimd. Op de foto in de gang een babygezicht, als alle babygezichten. Zijn ouders geen vader en moeder meer; zelfs in zijn dichtgeslotene ogen niet. Adrian laat een verschil in verwerking van pijn achter. Twee mensen die Adrian voor ogen hadden – stil kwam hij in hen te leven – vervreemden van elkaar. Adrian laat geen grootvader achter, op z’n knieën, op het kerkhof, met viooltjes.
Kerst in Ukkel
‘In het vieren van Kerstmis zit een zeker masochisme’, zei mijn vader onlangs. Nou is de man al twee decennia dood, maar de woorden lijken van gisteren. Terwijl ik de glühwein in de keuken inschenk, hoor ik wederom de bel. In de huiskamer is het even stil. Er valt een glas. De fijne motoriek van Maarten is laat op gang gekomen, te laat volgens sommigen. Het gekeuvel gaat genoeglijk verder, al hoor ik ook dissonante tonen. ‘Hoorden jullie ook een bel?’ Van tevoren heb ik geoefend. Het doorbreken van patronen is een tweede natuur. Op het juiste moment iets roepen om het noodlot af te wenden. Ik loop naar de gang en zie in het bobbeltjesglas het vertekende beeld van grootvader Joop. De man is notoir mopperaar al hoeft hij daar niet veel voor te zeggen. ‘Dat is gezellig’, slaat galmend door de gang. De voordeur staat even op een kier en slaat vervolgens met een harde klap dicht. Het ornament op het plafond zit losser dan ik dacht. In de huiskamer hoor ik het geluid van schoteltjes, een diepe zucht. De lichtvoetigheid van neef Frank wordt altijd met enige reserve ontvangen. ‘Wat ellendig van je werk, Frank.’ ‘Houden we het wel gezellig, jongens’, roep ik ingehouden als ik de woonkamer weer betreed. Frank wimpelt zijn ontslag weg. ‘Heeft zijn baan verloren aan de secretaresse’, fluistert er rond. ‘Stommerd’. Oudtante Riet, sinds jaar en dag hardhorend al moest zij van een gehoorapparaat niets horen, vraagt net iets te hard: ‘Is dat die blonde del?’ In de huiskamer wordt de stem van Riet bruut overstemd: ‘Nog meer glühwein?’ In de keuken ruik ik een aangebrand pannetje. Citroen en kaneel. Ik ren naar de keuken. Op de grond liggen twee kinderen van Maarten te spartelen. ‘Secreten, altijd geweest’, hoor ik iemand in de huiskamer zeggen. Het begrip synchroniciteit krijgt in dit familiaire schouwspel een wel heel pregnante betekenis, schiet door mijn hoofd. Ik hoor het tegen mijn studenten zeggen, al is het de inleiding op de thematiek van de familie Stastok of Kegge. Inmiddels zitten Kukelesaantje en Te grote broek pontificaal op de bank. Ik heb ze niet uitgenodigd. Ze moeten via de achterdeur zijn binnengehaald én –geslopen. ‘Ah, dat is gezellig’, hoor ik mezelf nogal huichelachtig uitbrengen. ‘Behoorlijke reis, jongen!’, klop ik hem net iets te hard op de schouder. ‘Nog steeds Arnhem?’ Ondanks zijn betekenisloze baantje op het archief van een grote verzekeraar in het oosten van het land, rijdt hij in veel te grote, geblindeerde auto’s alsof hij een pooier is van het geëlaboreerde soort. Zijn halfzus, toch nog altijd twee jaartjes voortgezet onderwijs, kijkt glazig het gezelschap in met net iets te lange wimpers. Afdakjes zijn fijn; ze behoeden je voor de regen als je voor de deur staat te wachten. ‘Dat had ik niet gedacht, lieverd. Glaasje glühwein?’ Ik loop weer naar de keuken en denk aan het voorval, een paar jaar geleden, waarbij de twee vaders van beide spruiten met elkaar op de vuist gingen, wat voor een behoorlijk tumult in de buurt zorgde. Plots wordt het nacht in huis. ‘Godverdomme, de stoppen!’ In het duister loop ik naar de meterkast, stoot mijn hoofd tegen de leuning en op de tast vind ik het schuifje waarmee de meterkast gesloten wordt. ‘Ik loop even naar de buren, de stoppen!’, gil ik vanuit de gang. De buurman is een fijne vent, hoor, daar hoor je me niet over klagen, maar als hij eenmaal aan het woord is … Enigszins schuw bel ik aan. De deur gaat direct open alsof hij al een week op me gewacht heeft. ‘Dag buurman, ik kom even langs om te vragen of je …’ ‘God kerel, kom binnen, dat komt nou goed uit. Ik heb het vanmiddag over je gehad toen ik bij de notaris zat. Dat je zo’n geweldige vent bent, staat altijd klaar, daar kan geen familie tegenop. Ik heb net glühwein opstaan, wil je nog wat vragen over het testament. Je weet toch dat ik een huisje in Frankrijk heb? Nou had ik gedacht…’ Beleefdheid brengt mij altijd weer in de problemen. ‘Ik kom alleen even vragen of je …’ Maar buurman is al naar boven gelopen en ik staar wat wezenloos naar buiten. Er valt sneeuw. Bij de buren hoor ik gestommel. Wat een lawaai, denk ik, voordat ik me realiseer dat ik mijn familie hoor. Als ik na een minuut of twintig – en een huisje in Frankrijk rijker – terugloop, begrijp ik dat er iets flink mis is met de familieverhoudingen. Stilstand is achteruitgang, moet je maar denken. De voordeur staat wijd open. Als ik de stop erin draai, hoor ik grootvader Joop gillend door het huis rennen. Oudtante Riet vind ik op de wc. Ze staat aandachtig met de toiletborstel d’r haren te kammen. Verder is er niemand. Ik zie nog net een geblindeerde auto met hoge vaart de laan uit rijden. Op de grond vind ik resten van een plant, zo lijkt het. Bij nadere bestudering blijken het paddo’s te zijn. Dat Te grote broek nou juist Eerste Kerstdag uitkiest om zijn clientèle uit te breiden. Volgend jaar maar buurman uitnodigen, denk ik, als ik het laatste glaasje glühwein achteroversla. Intelligentie wordt gekenmerkt door een natuurlijk onbegrip van het leven, zei ooit eens iemand tegen me.
Statuten en reglementen
Bij aankomst dienen wij de luiken te openen, een zakje Eparcyl in de wc beneden te strooien en de kraan van de vaatwasser achter de afvalemmer te openen. Er is een code voor het internet, een sleutel van de brievenbus en een alarmnummer (Anton Gesink mocht eens onverwachts langskomen). Gelukkig hoeven wij de statuten en reglementen niet door te nemen. Gastvrouw en gastheer zijn thuis. Behulpzaam helpen zij met uitladen. Maar ’s avonds zouden wij wel overhoord worden, werd ons verzekerd. Voor het zover was, zou ons tot drie keer verteld worden dat we alles mochten gebruiken, dat de pasta niet aangevuld hoefde te worden, dat de basilicum wat water behoefde en dat we de theedoeken mochten gebruiken, als we de laatste twee dagen maar overgingen op onze eigen theedoeken, dan konden we die weer vies meenemen. Althans, dat werd aan mijn vriendin verteld. Ik was inmiddels het zwembad aan het stofzuigen, nadat ik de procedure daarvoor stap voor stap had doorgenomen met de gastheer. Ook de wijnkelder mocht ik zien – de trots van de gastheer – waarna die weer hermetisch gesloten werd na ons bezoek. We mochten eens op een idee komen. Als ik soms mocht denken dat barbecuen een behoorlijk recht toe recht aan proces was, dan zou ik deze middag voorgoed op andere gedachten gebracht worden. Het was met recht een proces, ieder gerecht behoeft een andere temperatuur, en de European Outdoorchef is daar een probaat middel voor. Kortom, gastheer en gastvrouw zijn precieze mensen, hebben een gebruiksaanwijzing tot ongeveer hun wc-borstel. Als wij dachten deze vakantie zorgeloos en werkeloos door te komen, dan konden wij dat vergeten. ’s Avonds herhaalden wij alle procedures in bed, en ’s nachts werden wij verschrikt wakker: wisten wij nog wel hoe we het gras moesten maaien – om nog maar van de kantjes te zwijgen. En de tuinslang, moest die nou rechtsom of linksom opgerold worden? Oog voor detail was er, maar zorgeloos zou deze vakantie niet worden. Toen de gastheer en gastvrouw de volgende ochtend vertrokken, oefenden wij nog eens alle procedures, en riepen ‘brand meester’ aan het eind van de dag. De dag erna zou een tweede oefening plaatsvinden. We wilden zeker weten dat we zonder kleerscheuren deze vakantie aan de voet van de Puy de Dôme zouden volbrengen, zonder noemenswaardige incidenten of consultatie bij de Grundy’s in het nabijgelegen dorp. Daarom oefenden wij overdag bij temperaturen rond de 40•C. Geen sinecure met een kleintje van anderhalf jaar op je hielen.
De eerste dag
Het schooljaar is begonnen. Dat varkentje zullen we eens even lekker wassen. Voor mij zitten 32 brave leerlingen. Zitten is te veel gezegd. 28 leerlingen zitten, 4 kijken me wat onbeholpen aan: geen zitplaats. Ik geef de eerste twee – wie zijn mijn lievelingen? – mijn stoel. Een docent met twee stoelen, hoor ik u zeggen? De ene stoel vergezelt het bureau, de andere de computer. Stoelen kun je toch verrijden? Nee. Als je de stoel achter het bureau beweegt, zit die klem onder het whiteboard. De andere stoel staat klem tussen vensterbank en archiefkast. Twee studenten nemen met moeite plaats. Voor de laatste twee haal ik stoelen uit de kantine; de deeltijdconciërge is nergens te bekennen. Zelf heb ik nog net een omgedraaide papierbak. Ik moet het helaas doen met te laag en te krap. Respect zit hem in persoonlijkheid, niet in de ruimte die je tot je beschikking hebt. Dat geldt evenzeer voor de leerling. Misschien kan de dierenbescherming iets betekenen voor het onderwijs. Een mestvarken heeft immers 1,3 m2 tot zijn beschikking, een leerling 1,1 m2. Een beterlerenkeurmerk: hoe meer sterren hoe meer ruimte. In de school met de meeste sterren krijgen de leerlingen de meeste ruimte. Het kost iets meer, maar dan kun je lekker scharrelen. Weg met de plofklas wordt het adagium in onderwijsland. In Den Haag zullen ze cynisch hun schouders ophalen: boeren en varkens worden knorrend vet.
De bevroren laan
In de kantlijn van het boek vind ik de notities. Krabbeltjes met lange en korte poten die zich ontpoppen als klanken en woorden. Er zijn geen punten en komma’s gezet, de woorden moesten uitvloeien. In de fruitschaal zie ik een verschraald appeltje liggen. Ik haal het steeltje ervan af. Ik begin aan de bovenkant te schillen en draai cirkels en cirkels zoals in die tijd dat ik als enige jongen in een balletclubje zat. De meisjes keken me meewarig aan. Na de les kleedde ik me omzichtig om. Van mij zouden ze geen last hebben. Van mij hadden ze nooit last. Ook op school niet. Ik zat zwijgend in mijn bankje, verstopt achterin de klas, tussen tassen, bruine bananen en waterige schoolboeken, waarin de namen van onbekende plaatsen als vliegen door het klaslokaal vlogen. Ik kon niets onthouden. Steeds maar dacht ik aan thuis, aan hoe zij alles aan het eind van de dag recht zou zetten.
Zelfs nu, jaren later, kan ik onder dwang niets onthouden. Pas als ik de rust en de gemoedelijkheid heb opgezocht, kan de verschraalde en verdwenen kennis een plek krijgen. Pas bij het lome en uitzichtloze avondleven komt mijn leven op gang, krijg ik dromen en verlangens, eist het leven iets op. Ik kom thuis met taaloefeningen en rijtjessommen maar alles staat mijn begrip in de weg. De tuin, de zon, het verstilde mos op de tegels buiten. Ik zie alleen het lichtschijnsel door het raam een rondje dansen op het kleed. Boven hoor ik zuchten, verliggen, ademhaling, zacht gesnurk. Het magere beleg heeft weinig op met een echte maaltijd en ik geloof niet dat er iemand langskomt. Herma heeft me uitgezwaaid in de bevroren laan, de laan die kaarsrecht door ons dorp loopt. Ik ben onhandig. Onder mijn handen gaat alles stuk. De step van haar broertje, het kopje thee, het speelgoed waarmee we op zolder spelen. Telefonisch wordt het pact gesloten. Ik begrijp niet dat ik daar niet welkom ben, niemand kan het uitleggen. Ook Herma niet. We kijken elkaar alleen nog aan, in de gangen, rond het schoolgebouw, na de lessen. Tijdens de les glanzen haar blikken roerloos in mijn hoofd. Het duurt jaren, totdat ze verhuist en als mist mijn leven intrekt. Mist die langzaam, maar heel langzaam optrekt.
Testament
Je zou kunnen zeggen dat ze zichzelf in het testament hadden binnengekletst – als een geslepen vrouw op zoek naar een puissant rijke weduwnaar. Je zou met evenveel recht kunnen zeggen dat wij, erfgenamen van van een romantische ziel, ze in het testament hadden binnengeloodst, uit een overdreven gevoel voor loyaliteit. Verhalen mogen verhalen worden maar dat Kukelesaantje en Te Grote Broek in de laatste wilsbeschikking van mijn moeder stonden, was een gegeven.
Een schrijver liegt de waarheid
Staat de verbeelding de kijk op de werkelijkheid in de weg en moet fictie ons de weg wijzen naar de werkelijkheid? Dat is de centrale vraag die Bas Heijne stelt in Echt zien, literatuur in het mediatijdperk. Welke rol is er weggelegd voor de kunst, voor de literatuur, in een tijd dat de grote verhalen hebben afgedaan?
Het is tegen de stroom inroeien, Heijne bevestigt het. Romans zijn verwijzingen geworden, de boeken van vandaag worden geschreven door TV-persoonlijkheden die met hun autobiografisch getinte verhalen de literaire niche in de media worden binnengehaald. Door de mediacultuur wordt literatuur niet meer gevangen gehouden in een habitat van gespecialiseerde kritiek en commentaar. Het is vooral de mediacultuur die bepaalt wat gelezen moet worden. Het individu krijgt consumeerbare verhalen voorgeschoteld, waarin het leven vooral overzichtelijk en geordend wordt voorgesteld. En ik ben het met Heijne eens. Als je naar de boekenlijsten en prijsuitreikingen kijkt, lijkt het mediaspektakel vooral centraal te staan, niet het boek.
Daartegenover zet Heijne een overtuigend beeld neer van literatuur als vorm om de eigen ervaringen vorm te geven en te doorgronden. De ‘werkelijkheid’ van fictie leert ons iets over onszelf en over de ander. Ze negeert alle ‘doorbakken’ opvattingen over goed en kwaad en geeft ons een beeld van de meerduidige werkelijkheid. Ze opent zich, in tegenstelling tot triviale literatuur die het leven reduceert tot een verhaal, naar de wereld. Of zoals P.F. Thomése het ooit zei in het NRC Handelsblad: ‘De waarheid is niet interessant voor de literatuur. Een schrijver moet de mogelijkheid opperen dat de wereld die hij beschrijft werkelijkheid zou kunnen zijn. Een schrijver liegt de waarheid. Vandaar de preoccupatie voor verlangens, angsten schaamte… de krochten van het bestaan waar mensen zich liever niet wagen, of hooguit als het licht uit is. In fictie houd je de mogelijkheid dat het misschien niet waar is wat je leest open, en dat maakt dat je erover durft te schrijven’, aldus Thomése. Schrijven is vooral zelfonderzoek.
Toch is wel iets af te dingen op de visie van Heijne. Het is evident dat literatuur gemarginaliseerd is. Ik ben het met Heijne eens dat literatuur ons allen aangaat, maar hij laat in zijn essay zien dat dit belang vooral in strikt literaire kringen bestaat. Juist de bijzonderheid van literatuur, de poging van de roman om iets te zeggen over de de ongrijpbare en ongestructureerde werkelijkheid, marginaliseert haar. De aandachtseconomie trekt zich echter niets aan kwalitatieve en morele overwegingen.
Ook vraag ik me af of in een wereld waar het verhaal van de geschiedenis heeft afgedaan, waar het verhaal van de – weliswaar gekleurde – werkelijkheid, onze werkelijkheid, diffuus is geworden, waar we stuurloos op zoek zijn naar bakens, consumeerbare verhalen geen noodzaak zijn geworden. Literatuur als stereotype, als ademhalen, als bevestiging en geruststelling. We hebben misschien clichéverhalen nodig in een wereld waar alle zekerheden verdwenen zijn. Elk verhaal, triviaal of niet, bezweert onze existentiële crisis.