Het was in een wat kleinere plaats net onder een provinciestad. Er stonden al aardige boompjes in de laan die prachtig kleurden als de herfst in de winter overging. Tussen het trottoir en de weg lag een lief groenstrookje als buffer voor spelende kinderen. Sophietje zat op de bank, benen omhoog, kopje thee in de hand, en dacht aan de magere jaren die nu toch lang geleden leken. Het canaille was bezig een kozijn te slopen en het bijbehorende geluid werkte aardig op de zenuwen. Tuin, omheining, keuken, alles werd gezien als potentieel verbouwobject, want geld uitgeven tijdens een pandemie kon alleen in huiselijke kring. De kinderen speelden buiten, met hun fietsjes, de afgestompte stukjes stoepkrijt, de takken uit het achterliggende bos. De blaadjes vielen tot het laaste blaadje definitief vaarwel zwaaide en de kinderen met lampionnetjes voor de deur stonden. ‘Maar wij, we hadden God mee en de zon en de lucht en de landen, allemaal dingen die ze niet konden omkappen of cementeren.’
Droomtuintje
Het tuintje was al drie keer omgespit. De zes vakken waren gevuld met bloemen en boontjes, om en om. Op het stukje met brandnetels had ik graszoden gelegd zodat ik kon kijken naar het slootje en sjalotjes aan de overkant. De dahlia’s bloeiden prachtig. De bolletjes had ik in
het vroege voorjaar zorgvuldig in de grond gestopt. De tuinkers was inmiddels door mijn vrouw verwerkt tot pesto. Toen kwam het mailtje. De tuinder wilde, ondanks zijn ziekte, het tuintje zelf behouden en het samen met zijn vrouw voortzetten. Zo gaat dat met de verbeelding, dacht ik. Het schept vrijheid, ruimte, dromen en tuinkers om ingehaald te worden door de zwaarte van de werkelijkheid, wat werkelijk ís. En de werkelijkheid kende geen moestuintje.
Is literatuur uitdrukking van die zwaarte of een uitdrukking van de verbeelding, vroeg ik me af. Of een product van de verbeelding met als functie om die werkelijkheid te kunnen dragen, om ermee om te gaan, als vlucht misschien? Is het blije gezicht van de verbeelding juist niet dé manier om de zwaarte toch weer in huis te halen? Het licht om in de donkerte een weg te vinden, althans om die illusie voor een kort moment te koesteren, totdat het licht uitvalt, de batterij op. En hoe zit het als de werkelijkheid zelf gelogen is? Wat is dan nog de functie van literatuur?
Wanneer het hele idee van de roman, als teken voor de gelogen werkelijkheid, overboord moet, wat blijft er dan over van de werkelijkheid, van mijn verbondenheid met de wereld, voor de wereld van tandenpoetsen, boodschappen doen en moestuinieren?
De brug bij Bommel
Hoe brengt een nieuwe levensruimte van een gewaardeerde collega je bij de brug bij Bommel? De weg op de fiets van een docent geschiedenis mondt uit in een historische fietstocht. De brug bij Bommel, hoor ik je denken? Dat was toch …, die dichter …, hoe heet ie ook alweer?
Nijhoff. Klopt. Het sonnet ‘De moeder de vrouw’ uit 1934 is wellicht het bekendste gedicht van Martinus Nijhoff. Het roept het beeld op van een psalmzingende vrouw op een schip, waarin de ‘ik’ zijn eigen moeder meent te herkennen. Over het ontstaan van het gedicht bestaan verschillende verhalen. Hans Philips, vriend van Nijhoff en klavecinist, heeft ooit gewag gedaan van zijn wandeling op de nieuwe Waalbrug waar hij ‘ineens op die grote, lege rivier een schip zag aankomen, waarop een vrouw, alleen aan dek, psalmen stond te zingen’ en nog eens ‘wandelend bij de sluizen in Vreeswijk, een vrouw had gezien aan boord van een schip, die hem bijzonder trof door de sprekende gelijkenis met zijn (Philips) moeder’. Nijhoff glimlachte alleen, zei niets, en veertien dagen later legde hij zijn vriend ‘De moeder de vrouw’ voor. Het gedicht is opgedragen aan ‘de moeder van Han Völlmar’, mogelijk een bijnaam voor Hans Philips.
Victorine Hefting, die met Nijhoff bevriend was tot aan zijn dood, vertelt erover: ‘Met Hans Philips ging ik een keer naar Zaltbommel, waar zijn moeder woonde. Het was een prachtige dag en rond theetijd zaten we in het gras aan de rivier en zagen daar een schip onder de brug door komen met een vrouw aan dek die helemaal in het zwart was gekleed. Hans zei toen al dat Pom’ – de koosnaam van Nijhoff – ‘van dit beeld, van dat strakke zonnige water waarover een vrouw in het zwart kwam aanzetten, zeker een gedicht zou maken, en toen we terug waren in Utrecht heeft hij dat verhaal in mijn tegenwoordigheid aan Pom verteld … Pom nam het heel aandachtig op en liet het Hans meteen daarna nog eens vertellen … Hans had heel goed aangevoeld hoe symbolisch dat beeld was … ‘
Ikzelf ken de versie van Nijhoff en zijn vriend Hans Philips die uit fietsen gaan en pauzeren bij de Waal om een broodje te eten. In de verte zien ze een aken aankomen met een vrouw op het voordek die psalmen zingt. Ze fietsen terug en twee weken erna komt Nijhoff zijn gedicht triomfantelijk voorlezen op de Oude Gracht 341, bij Hans (Philips) en Pijke (Koch).
Hoe het gedicht alles overleeft en inspireert, blijkt uit het feit dat in 1996 een vervangende nieuwe (‘vier stokken’) brug de naam kreeg van de dichter van het gedicht: MARTINUS NIJHOFF-BRUG. Een aantal dichters liet zich tot pastiches op het gedicht overhalen (zie NRC-Handelsblad dd 5-1-1996).
En nu komt alles bij elkaar. De historica op de fiets die de ‘twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden’ buren laat worden, ‘een minuut of tien’. Het gedicht als reminiscentie van de (oude) brug over de Waal bij Zaltbommel.
En ben je daar, stap dan af, ga in het gras liggen en laat de toon die aangeslagen is door het intrigerende ‘overzijden’ doorklinken in het dubbele rijm van ‘wijd en zijd’ en ‘oneindigheid’. Met andere woorden, wat je hier doet én wat Nijhoff hier doet, is niets anders dan wat de Hollandse meesters eens in hun tekeningen en schilderijen hebben gedaan en Nijhoff ook al in het gedicht ‘Het Veer’, namelijk het rivierenlandschap evoceren en, in de verstilling van het haast eindeloze perspectief, dat landschap naar het wezen treffen en zo de beschouwer dringen tot woordeloze contemplatie. – De verstilling wordt nu voortgezet in het vervolg. – Ontspannen genietend van je thee en liggend in het gras neem je het wijde landschap in je op. Je raakt er geheel van vervuld en het maakt een zodanige indruk, dat het je – in verwijding – voorkomt als een oneindigheid, onbeperktheid van zowel ruimte als tijd (en waarmee Nijhoff met ‘overzijden’ suggesties provoceert van filosofische of religieuze strekking).
De moeder de vrouw
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
Mijn kind
We eten een boterham. Ik heb een gebakken eitje gemaakt. Daarna eten we een broodje met speculaas. De laatste sneeuw is opgelost. Ik kijk naar je mooi gevormde wenkbrauwen. Je hebt je haar in een staartje, maar je ponyhaar valt naar voren. Met een lichte beweging strijk je het achter je oren. Je huid is gaaf en glanzend. Je oortjes zitten zo prachtig tegen je schedel aan. Je hebt een rose t-shirtje aan. Dit beeld. Dit beeld van jou. Van wie je bent. Dat beeld dat niet te vatten is. Dat beeld van de ander. Het beeld dat je wil opslaan, koesteren, aanraken, drinken, maar waar je net te laat voor bent. Het beeld waarin je wil samenvallen en oplossen.
‘Kinderen kijken slechts terloops op naar de natuurpracht en de schitterende zonsondergang waarin ze, geheel opgeslorpt zitten te spelen, en als ze al eens ‘troost’ behoeven dan is dat voor de concrete ongelukken in het leven (een schaafwond, een gestorven huisdier, een ruzie met vriendjes) en niet om een permanent aanwezig ‘metafysisch’ verdriet. Het zijn de ouders die, vanachter de ramen van hun ingerichte huiskamer, nostalgisch naar de kinderen en de natuur staan te kijken en vervuld worden door diepe treurnis bij de gedachte aan de vergankelijkheid van alle dingen.’ (De Martelaere in Wat Blijft)
Bonbons
Op de bovenste verdieping van onze chocolaterie in Boedapest keek ik uit het raam en zag mijn compagnon Kóvacs het weeksalaris overhandigen aan een paar van onze medewerkers als waren zij loonwerkers in de agrarische sector. Niets was minder waar. De vrome zeloten hadden met tricot handschoentjes onze bonbons in prachtig versierde kartonnen doosjes met het logo Komkomchoc geplaatst, niet ver van de Grote synagoge aan de Dohánystraat. De gorgonzola-bonbons met witte chocolade vonden gretig aftrek. In de Marie Claire van 22 juli 2013 werd gerept over lekkernijen op basis van oude en unieke Nederlandse recepten en specialiteiten, zoals chili of gembersnoepjes. Dat het geld van mijn ex-vrouw zijn pendant zou krijgen in een bonbon van steranijs met een ganache van room en pure chocolade is wellicht ironie. Maar dat maakte die lekkernij er niet minder om. Onze meester patissier had een opleiding gevolgd in de koekenstad van de Vlaamse duivels, of bij de kiekenfretters, daar wil ik af zijn. Eenmaal terug in Boedapest had hij de omgebouwde garage net buiten de stad tot zijn beschikking om tot de meest waanzinnige creaties te komen. Ik meen te herinneren dat het pronkstuk een praline met visextract was. Als ik in de hoofdstad van de Donaudelta was, zo’n twee keer per maand van donderdagavond tot maandagochtend, mocht ik even proeven. De persoon die kokkend over de plee hing als zijn vader weer eens chocolade klompjes had meegebracht van een van zijn buitenlandse reizen herkende ik niet terug. De chocolade was destijds wellicht substituut voor liefde, maar ook te veel liefde werkt verstikkend. Na veertig jaar ging de chocolade er weer in als koek. In de goudkleurige Volvo van mijn compagnon reed ik de lekkernijen van de keuken naar de winkel, toch bijna een uur rijden. Als verlicht directeur uit het land van de mayonaise zou ik deze neoliberale uitdaging in dit voormalig Warschaupact land eens snel aan de man brengen. De didactische veldwerker komt wel even vertellen hoe het moet. Ik stuurde samen met mijn compagnon onze werknemers aan, negen mannen en vrouwen. Op piekdagen stonden we zelf in de winkel. Onderin de kelder werd voornamelijk aan de ziel gedacht. De vrouw van mijn compagnon gaf heimelijk yogalessen om zich vervolgens met haar studenten toch weer op de bovengrondse lekkernijen te werpen. Ook de chocoladefondue was inmiddels populair geworden onder diplomaten uit de buurt. Nu, thuis, met de hagelslag op mijn brood, maak ik de balans op. We zijn heel wat centjes armer. Recentelijk kreeg ik nog een Hongaarse naheffing van de belastingdienst omdat een van onze werknemers niet op de loonlijst zou hebben gestaan. Orbán krijgt veel uit Europa, ook veel gedaan trouwens, maar het is nog altijd niet genoeg. De chocolade is opgedroogd en onze meester patissier is bijenkoning. Hij bleef een beetje in de zoetigheid hangen. Mijn compagnon is gescheiden en durft me niet meer aan te kijken. Het geld voor de stroopwafels werd gebruikt om de schulden af te lossen. Wist ik veel. Toen ik daarachter kwam, zijn er heel wat fonduestelletjes gesneuveld. Dromen zijn prachtig, maar ik ben maar wat blij dat heden ten dage Nijhoff op het menu staat. Daar kun je op blijven kauwen.
Verlangen
‘Weet je dat je beroemde voorouders hebt?’ Ik had nog nooit nagedacht over mijn voorouders. De familie was uit elkaar gevallen, van moeders én vaders kant. Ik had alleen wat speelgoed uit een poppenhuis dat een aangetrouwde achteroom in de oorlog had gemaakt op zijn onderduikadres. Een schemerlampje, kolenkit, een aanrecht met gordijntjes. Zijn familie – zo was het verhaal – was afgevoerd door de moffen, toen hijzelf tegen een boom stond te pissen, niet ver van de boerderij waar ze ondergedoken zaten.
En zo belandde ik ’s avonds op jouw balkon, vierhoog in een stad die ik niet kende, met een drankje dat ik nog nooit had gedronken, met foto’s van een leven, van ouders, poezen en een ander continent. Wat je daarover zei, ben ik vergeten.
En zo werd ik nieuw voor mezelf, vond ik me zelf uit in het bijzijn van een ander. ’s Nachts konden we niet slapen. Ik ging twee keer naar de wc, jij vaker. Je lag tegen me aan, ik voelde de koestering, het gedragen worden door warm zand met het water op onze hielen. In het morgenlicht schoven je borstjes langzaam uit de japon, als vallende peertjes in een gravitatieloze ruimte. Je keek me aan met grote ogen, je zoende me, ik zoende jou. Mijn forse bovenlijf verbleekte bij je fragiele gestalte. Ik hoorde nieuwe geluiden in een nieuwe stad, in een nieuwe kamer en voor ik het wist, zat ik in de trein terug en viel in slaap met jouw bloemetjesbehang. Ik realiseer me goed dat ik maar een beeld van je heb gemaakt, misschien wel meer dan eerst, juist nu. Maar doen we dat niet allemaal, beelden maken, een mooi verhaal over onszelf ophouden.
In de tuin in Tiszabábolna las ik een boekje van Barnes, The sense of an Ending. ‘Hoe vaak vertellen we ons eigen levensverhaal? Hoe vaak stellen we bij, verfraaien we, laten we handig dingen weg? En hoe langer het leven doorgaat, hoe minder er om ons heen overblijven om onze versie te betwisten, ons eraan te herinneren dat ons leven niet ons leven is, maar alleen het verhaal dat wij erover verteld hebben. Verteld aan anderen, maar – voornamelijk – aan onszelf.’ Ons levensverhaal in optima forma als een kersentuin waar de wat al te grote rijkdom aan vruchten weelderig en zuchtend hangen om geplukt te worden. Als ik mezelf dan toch verplaats naar de kersentuin, dan nestel ik me onder het rieten afdakje. Dan doorbreekt het gezoem van een mug de verdwaalde stilte. Dan zie ik eindeloze maïsvelden die doorkruist worden door fragiele elektriciteitspaaltjes. Dan zie ik ooievaars vliegen, ik hoor de wielewaal en het heldere keelgeluid van de boomkikker. De buurman strompelt met zijn fiets langs en staat even stil om te zwaaien. Zijn vrouw is vorig jaar overleden en haar beeld verschijnt pas bij het vierde glaasje pálinka, waarna het vocht nog rijkelijker vloeit. De motregen laat uiteindelijk minieme druppeltjes achter op het houten deksel van de waterput.
Waar staan de boeken waarover ik vertelde, waar zitten de vrienden, waar lopen de kippen rond? Waar ik jou ontmoette zag ik de scharrelaar, de kwak, de gele kwikstaart, de steenuil onder de dakgoot van een strooien boerderij, en de hop, die graafwerkzaamheden verrichtte op het kiezelpad. In dat natuurfestijn dacht ik aan jou, aan je huid, het stoere van je uitstraling, de dynamiek in je persoonlijkheid.
Wil je nog één keer met mij een nacht aan de grote rivieren doorbrengen, ergens waar weet-ik-veel het land binnenstroomt?
De twee paardjes
Misschien wel om het contrast wat groter te maken, hadden ze twee magere paardjes in de bloedhete wei naast de camping gezet. De ribbekastjes stonden van elkaar afgedraaid en keken glazig en afwezig voor zich uit. De campinggasten sloten hun lethargische dag af met schnitzel en patat op het terras. De morsige eigenaar kon het allemaal net aan. Mijn vrouw had het plan opgevat om haar benen te strekken middels een hardloopprogramma, waarin ze zwoel werd toegesproken door een Vlaamse tussen de upbeat nummertjes. Net buiten het campingterrein vond ze de twee vermagerde diertjes tussen de armzalig hangende springbalsamine. Het was duidelijk dat de mensen niets aan hun hoofd hadden. Corona was teruggebracht tot een handpompje met desinfecterende gel. Mijn geliefde vrouw bleef de hele dag naar het innerlijk behang met de twee vermagerde diertjes kijken, voordat ze besloot de plaatselijke dierenbescherming per mail op de hoogte te stellen. Gespannen wachtte zij het weekend af. Op maandagmorgen kreeg ze bericht:
“Guten Morgen, könntest du bitte Fotos von den Pferdenmachen und der Wiese, Unterstellung etc. Kannst du die ganze Wiese einsehen? Ik freue mich auf deine Rückmeldung.”
Mijn vrouw antwoordde dat wij op het punt stonden weg te gaan, en ze daarom geen foto’s kon maken. Ze legde nog een keer gedetailleerd uit waar de paardjes stonden en vroeg met nadruk naar de paardjes te kijken. Misschien is het goed om te vermelden dat mijn vrouw goede bedoelingen van het menselijk ras behoorlijk in twijfel trekt, maar als het om dierenleed gaat, zij a la minute in het geweer komt om toch weer een appèl te doen op die goede bedoelingen. Tegen het eind van de middag kregen we een reactie van het ‘noodopvangstation’:
“Guten Tag, ich habe es an das Tierheim Bad Kreuznach weiter geleitet. Die sind nicht zuständig für Groβtiere. Bitte melden Sie sich beim zuständigen Veterinäramt Bad Kreuznach.”
Blijkbaar hadden we wel bij hen terecht gekund voor een ondervoede cavia, maar voor ribbenkastjes van een groter formaat waren we aan het verkeerde adres. De plastic raampjes van onze safaritent waren behoorlijk beslagen. Neem je GVD de moeite om in je vakantie voor beestjes op te komen, raak je verstrikt in het bureaucratische werktheater van het plaatselijke meldpunt dierenmishandeling. In haar beste vwo-Duits, met de juiste vervoegingen, schreef mijn vrouw dat het hún dierenleed was, dat ze gedaan had wat ze kon in haar vakantie en dat het aan hen was iets aan te situatie te doen. De afsluitende groet ontbrak. Net voordat mijn vrouw de camping verliet, kreeg ze een mailtje:
“Guten Morgen, ich leite Ihre Meldung an das Veterinäramt Bad Kreuznach weiter. Vielen Dank für den Hinweis. Alles Gute.”
Het viel me op dat we behoorlijk snel Duitsland uit waren.
Beste Jan
Het landschap ziet er opeens heel anders uit. Het binnenleven van school – gezeik van collega’s, gezeur van leerlingen, wispelturig management en een jaartaak die niet klopt – is ingewisseld voor het buitenleven. Je ziet het voor je: zondagavond op de bank nadenken hoe de picknick er op maandag uitziet. Dinsdag uitslapen of sporten en woensdag naar de hei, maar zonder dat het management er is. Waar vroeger nog een PIZ-cursus aan te pas moest komen om je voor te bereiden, staar je tegenwoordig op eigen benen naar het einde. Maar maak het buitenleven niet te rooskleurig, Jan. Multatuli weet daar alles van en is hard voor zijn tijdgenoten – misschien wel uit verbittering omdat hij niet bij de dames en heren hoorde – maar zijn schildering van het ‘buitenleven’ van de negentiende-eeuwse bourgeoisie zal toch een vrij hoog waarheidsgehalte hebben. In Woutertje Pieterse laat Multatuli zijn jonge alter ego met zijn werkgevers ‘naar buiten’ gaan. Het buiten heet Groenenhuize en ligt bij ‘Haarlem in de Hout’:
‘De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was zo onlandelyk mogelijk. Men ontving bezoek van ebenbürtige optrekmenschen, maar liever van hooger geplaatsten. Men maakte rytoeren in de omtrek, waarby de tentoonstelling van ‘eigen equipage’ hoofddoel was en men verveelde zich.’
Natuurlijk breng jij Frederik van Eeden in stelling, die in Het Gooi, mij alom bekend, zijn idealistische Walden begon op het landgoed Cruysbergen in Bussum, in de natuur. Op het landschap van Het Gooi schrijft hij in zijn dagboek, op 20 oktober 1887:
‘Het Landschap is onvergelijkelijk mooi. Gouden zon, helgeel, oranje, bruin loof, schitterend blauwe lucht. Alles weelderig, vochtig, zoel.’
Zo denk je natuurlijk op zondagavond, als de hele week voor de deur staat te popelen om binnengelaten te worden. Het buitenleven beweegt zich dan nog van idealisme naar romantische verveling. Voor twijfel is dan nog geen ruimte, die ontstaat pas halverwege de week. Dat was al in de tijd van twijfel die Nescio in Titaantjes genadeloos verwoordde:
‘In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we er op een zondag heen waren gelopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofd, in innige aanraking met de natuur, zoals dat toen genoemd werd, en z’n baard vol kruimels.’
En in die laatste typering – wel zonder baard en kruimels – moet je iets van jezelf herkennen, Jan. Maak je vooral niet te veel illusies.
Bullebak
Mijn overbuurman was een bullebak. Je zag hem nooit, maar als je hem zag dan was er stront aan de knikker en dan maakte je dat je wegkwam. Niet zo erg lang geleden was ik op een vrijgezellenweekend en werd mij de vraag gesteld of ik het categorisch imperatief van Kant begreep. Na een wat kort antwoord volgde een gesprek over onze colleges. En wat bleek? Deze man, die van de vraag over Kant, bleek les te hebben gehad van bullebak. Laat bullebak nou net de vader zijn van mijn jeugdvriend Niels. De hooggeleerde heer stond met zijn rijlaarzen aan college te geven over een of ander mathematisch-geofysisch onderwerp, aldus mijn medevrijgezel. In zijn oneindige wijsheid wist hij zijn kennis superieure hoogte te geven, maar van enig contact met zijn publiek, de simpele zielen in de collegezaal, was geen sprake. De man was aan het oreren en verstoken van elke vorm van interactie. Maar laat ik mijn tijd niet vooruit zijn. Ik wist toen niet veel van bullebak. Ik zag hem weleens aan de keukentafel in zijn ochtendjas en dan waren de peren rot. Als hij daar niet zat, zag ik hem met angst en beven door de muur heen in zijn bastion zitten. Ik heb mijn angst weleens overwonnen door de deur naar zijn bastion te openen en naar mijn vriend te vragen … ‘Wat ik u nog wilde vragen: bestaat u eigenlijk wel? En hoe zit het met mensen om u heen, bestaan die?’ De solipsist zat bewegingsloos in zijn zetel. Ik geloof dat hij niks zei, maar de herinnering laat me in de steek.
In de verste verte leek bullebak wel een beetje op mijn scriptiebegeleider. Deze wist echter zijn hart te bereiken, en ten gevolge hiervan dat van zijn studenten. Bullebak was vooral hoofd. Als ik kijk naar zijn portret in levensberichten en herdenkingen 2014 van de UU, dan zie ik – zo lijkt het op het eerste gezicht – vooral een lieve man. Hij heeft een aardige glimlach en zijn baard maakt hem zachter. Maar een portret bedriegt. Een portret geeft de mens de genadeslag van de waarheid, schreef Hermans. Deze uitdrukking van lieve man liet mij destijds in de steek. Ik kwam toen direct bij zijn priemende autoritaire ogen. Intelligent dus superieur, mijn kind. Dus smoel houden. Nu lees ik vooral de onmogelijkheid om te gaan met minder intelligente soortgenoten, ik lees de eisen die hij stelde aan anderen, aan zijn kinderen, maar vooral aan zichzelf. Laten we bullebak een naam geven. Nico, van Nicolaas. In 1968 keerde hij met zijn gezin terug uit Amerika en kwam tegenover ons wonen. Met zijn vrouw, Joyce, en vier kinderen. Drie jongens en een meisje. Mijn vriend was de jongste jongen in het gezin.
Het landschap
Heeft de persoon die mijn moeder was werkelijk bestaan? Waarin bestaat het referentiële karakter van taal als het om de werkelijkheid gaat die niet meer voorhanden is, die terug te vinden is in dagboeken en fotoalbums, maar haar correspondentie met een hier en nu gegeven werkelijkheid is verloren, voorgoed.
Je bent mijn toehoorder, op afstand. Op het bankje in de tuin luister ik naar de wind. Het is nog koud. Op de krokusjes zitten de eerste hommels, dronken van het prille leven. Misschien is het daarom dat ik zo van schilderkunst houd, van de schilderijen van Maris, de verstilde landschappen van Adriaen van de Velde, de lakenwasserijen in de duinen achter Haarlem van Salomon van Ruysdael. Verstilde figuurtjes in een groots landschap met lage horizonten. Vergankelijke levens die geleefd werden tegen de achtergrond van een eeuwige wolkenlucht. Ik denk ook aan jouw moeder, in dat ziekenhuisbed, haar bestaan gereduceerd tot tijdelijk en vooral somatisch voortbestaan, in het teken van pijnbestrijding en mensen in witte pakken, en in jouw aanwezigheid. De laatste sacramenten in het besef dat elk moment afscheid volledig kan zijn. Wat kun je meer doen dan aaien, strelen, masseren, zachtjes spreken, en verdrietig zijn om de pijn van de ander. De Ander! In de filosofie van Levinas draait het om de Ander. Niet de ander als onderdeel van onze ethiek, hoe we de ander bij kunnen staan, kunnen helpen in zijn of haar leven, als onderdeel van onze moraal, maar de Ander als gelijke en als confrontatie met onze individualiteit. De herinnering aan de nazi-verschrikkingen heeft een stempel gedrukt op Levinas’ denken. Zo kwam hij op een fundamentele kritiek op de westerse wijsbegeerte, die volgens hem totalitaire trekken vertoont (alles willen ‘vatten’) en geen plaats inruimt voor hetgeen het gelaat van de behoeftige Ander ons toont, en wat niet te ‘vatten’ is. Deze kritiek is het Leitmotiv geworden van zijn filosofie.