Overbodige luxe

Als je mij zou vertellen – jaren later als de herinnering de werkelijkheid heeft aangevreten – dat je maar vier dagen in Thailand bent geweest, dan had ik dat weggehoond. De feiten op tafel graag: geen mooie verhalen. Maar tickets, bootreizen, het bonnetje van de bus. De Thaise autoriteiten zullen ongetwijfeld ergens je aankomst én vertrek hebben geregistreerd. Je hebt immers je visa moeten invullen waarop de uitreisgegevens ook al stonden. Dat het mezelf zou overkomen en dat de herinnering geen herinnering is, omdat ik nu schrijf, met één been in dit rommelige en ongeorganiseerde land, kon ik in de verste verte niet vermoeden. Okee dan, de feiten. Op 27 juli vlieg ik naar Bangkok, vanaf Brussel. Of eigenlijk neem ik eerst de Thalys van Brussel naar Amsterdam en dan de vlucht van Amsterdam naar Bangkok. Op 31 juli, de verjaardag van mijn dochter, vlieg ik terug naar Brussel, met een overstap in Amsterdam. Mijn paspoort maakt het nog pregnanter: 28 juli gearriveerd, 31 juli vertrokken. En hoe ik me voel: mislukt. Dat is het eerste woord dat bij me opkomt. Niet in staat een adequaat antwoord te geven op de gegeven situatie als ik me verzachtend en analyserend uitlaat. Sta me dat toe, als je blieft. Misschien dat ik me daardoor iets beter zal voelen. Tekortgeschoten. Vooral naar anderen. De meeste keuzes zijn nogal arbitrair, maar sommige keuzes zijn zwaarwegend, voelen als lastig, omdat je weet dat je altijd iemand tekort doet. Omdat er verschillende belangen zijn die niet te verenigen zijn. Maar tot zo ver de feitelijkheden met het lichte, beschouwelijke sausje erover heen. Fictie is zoveel ravissanter.

Onzingeving

Een visie op toekomstgericht onderwijs, dat leest de vrouw die zo netjes in haar mantelpakje op de stoel zit, terwijl ik het moet doen met een staanplaats. De NS noemt het een vervoersbewijs (het zou beter zijn ‘one pound standing places’ aan te bieden om mensen richting OV te krijgen, zoals het Engelse theater ooit deed om mensen richting (beeldende) kunst te krijgen. Het staan in de trein valt niet te reclameren dankzij de ruimere begripsdefenitie. Het mantelpakje bezondigt zich aan pleonastische titels, in onderwijsland een usance. Staan is zo gek nog niet om een beetje overzicht te houden.

De foto

Ik heb lang gezocht naar die ene foto. Die hing op een prikbord in de wc beneden. Je kent het wel. Als je toch bezig bent met het meest noodzakelijke, kun je net zo goed kijken naar afbeeldingen van een vervlogen tijd. Wat waren we nog jong, wat speelden de kinderen toch leuk, wat hadden we leuke vakanties. Ik geloof dat jullie op een houten kistje stonden. Zo’n fruitkistje uit de Betuwe. Volgens mij was het een zondag is, al heb ik nooit zo geloofd in herinnering. Laat ik het actueel maken en de herinnering even laten voor wat die is. Stel je voor: jullie staan op een houten kistje. Het is zondag. De eigenaren van het terrein zijn jehova-getuigen. Die getuigen elke dag van de week, behalve op zondag. Dan is het clubdag. Zelfs de jongste heeft dan geen vrijaf. De camping, want dat is het, heeft ook vrijaf. Geen opdringerige personen, geen vileine kereltjes, geen eigenaar die met kromme tenen de gasten in het jehova-hoekje duwt. De camping haalt een dagje opgelucht adem. Zelfs het gras gaat van geestdrift vier overeind staan. En ten overstaan van de gehele camping wordt het Betuwepaar gekroond.

Het strand

Terwijl oma haar kleinkind vasthoudt, spelen de ouders een potje slagbal met twee houten plankjes, speciaal voor dat doel in het badplaatsje gekocht. Het druipt van dikke mensen op het strand. Vader wordt ongevraagd ingesmeerd door moeder en laat zijn kinderen vrij rustig door ruziën over het enige schepje dat is meegenomen. Vol vertwijfeling kijken de badgasten naar de bewolkte lucht boven hun grut, die langzaam maar onheilspellend dichttrekt. Alles is lucht en leegte.

Pagina 183

Ik doodde een minuscuul vliegje op pagina 183 van het boek dat ik las. Achteloos was mijn beweging en er bleef een streepje van nauwelijks een centimeter over tussen de woorden ‘ik besloot’ en ‘mijn herinnering’ als uitdrukking van zijn bestaan. Op de volgende pagina stond ik stil bij mijn achteloosheid – miljoenen joden werden in de Tweede Wereldoorlog even achteloos vernietigd – en bedacht dat ik een heel boek zou leven, waarna een kolossaal wezen mijn korte bestaan indachtig – een streepje – even achteloos verder zou lezen, mij wegvegend uit het boek. En ook hij zou kortstondig en achteloos waargenomen worden door een nog groter wezen dat hem in één zucht zou wegvegen.

Vaak loop ik met mijn dood, en de dood loopt met mij. Ze pakt mijn hand, maar ik ben te stom om haar te pakken. Zoals ook het leven uit mijn handen glipt. Ze fluistert aardige woorden, maar ik ben te stom om haar te horen, zoals het leven ongehoord gehoor wil vinden bij hem die doof is voor haar gehoor.

De laatste hand

Soms vroeg ik me weleens af waarom de natuur groen heeft gekozen als kleur van het leven. Is dit dan de enige kleur die in staat is om de erin verholen rust van de wereld te redden en misschien ook wel het vermogen die rust op de mens over te brengen? Want alle andere kleuren leken mij neurotisch, door onrust aangetast.

Meer dan eens bleef ik langere tijd voor dat raam staan kijken. En het was voldoende dat ik keek. Mij bekroop het gevoel dat ik niet keek omdat ik ogen had, maar dat ik als het ware door dat uitzicht begiftigd was met de genade van het kijken. En misschien bestond ik zelfs wel dankzij het feit dat ik keek. Ik hoefde mezelf niets voor te stellen, ik kreeg zelfs niet het gevoel dat enig woord in me wilde opkomen, want alles was in dat kijken. Soms overkwam me zelfs het gevoel dat dat kijken losstond van mijn bestaan. Alleen, is een van de mens los bestaan van de wereld mogelijk? Wie zou hem anders moeten beleven, ervaren bevestigen? Wat zou buiten de mens het bestaan van de wereld kunnen waarborgen? Misschien bestaat daarin wel onze onvervangbaarheid.

Wieslaw Mysliwski (De laatste hand)

De blauwe regen, wordt de blauwe regen nu mooi, uit zichzelf getild, eigen gemaakt, op een voetstuk geplaatst, onderwerp van overpeinzing? Of heeft de blauwe regen, genoeg aan zichzelf – eenvouds verlichte waters – zonder inmenging? De blauwe regen neemt haar naam terug, en wordt het onnoemelijke.

Mijn dag met N.

Even voordat mijn jeugdvriend N. zich door een fatale combinatie van heroïne en whiskey van het leven beroofde, begeleidde hij me naar mijn ouderlijke woning, nadat ik aangerand was voor het antiekzaakje op een zonnige zaterdagmiddag.

Ach, mijn vriend N. Hij leed onder zijn vader, die als pater familias alle jeugdzondes van zijn kinderen eruit sloeg met zijn leren riem. N. was een gevoelige jongen. Hij kon uren staren als hij op zijn hurken zat in de tuin tegenover ons huis. Tijdens het lezen trok hij zich terug in zichzelf.

Al bijna een seizoen was ik met mijn fiets ’s ochtends vroeg naar het Bosbad gereden, waar ik met een haak in mijn nek op weg was naar diploma A. Het water was koud en unheimisch en in de diepte zocht ik mijn Eurydice. Ik kende de wereld niet of begreep haar niet goed. Maar de aanloop naar die stille diepten is vooral vast blijven zitten en ledigt zich na jaren in de woorden die nu zo netjes gerangschikt het maagdelijke papier vullen. Nooit had ik met mijn ouders gesproken over de fietstocht die ik ondernam naar die poel in het bos.

De laan liep langzaam omhoog en eindigde in een T-splitsing tegen de bosrand. Achter de bosrand was het spoorravijn dat maar op één manier genomen kon worden met de fiets, over het kippenbruggetje. Een smalle brug voor wandelaars en fietsers die doorgang verleende naar het pad aan de andere kant van het ravijn. Soms stond hij er, op onbewaakte ogenblikken, soms, geheel voorbereid, was hij afwezig. Een klein mannetje, wat gebogen in de heupen, behoorlijke leeftijd. Als ik langskwam, stak hij zijn arm uit op zadelhoogte. Hij zei niets of was stom. In de poel in het bos zocht ik hem op en sneed zijn geslacht aan flarden, waarna zijn ballen lamlendig aan de laatste stukjes vlees hingen. Eurydice was ik kwijt in die droom van het water. Inmiddels had de haak mijn hoofd verlaten en ik dreef bijna diagonaal door het water, waarbij ik mijn medezwemmertjes keer op keer aanstootte.

Mijn avonturen in de vroege ochtend culmineerden op die zonnige zaterdagmiddag. Met N. keek ik in de goed gevulde etalage. Schimmen bewogen zich in de winkelruit, totdat een schim zich losmaakte en een hand mijn geslacht van achter pakte.

Het antiekzaakje heb ik lang vermeden. Eurydice heb ik nooit meer gevonden.

Het nachtkastje

In een onmogelijke poging de echtelijke ruzie te beslechten en een handgemeen te voorkomen, liep mijn voormalig echtgenoot opeens resoluut naar mijn nachtkastje – gunst, wat was dat kastje oud, het had meer dan een hele eeuw de familie doorstaan – trok er een laatje uit, liep naar de balkondeuren en smeet met een lichte kreet het laatje in de tuin. Verbouwereerd bleef ik zitten, tranen prikten in mijn ooghoeken. Ik dacht opeens aan het tweede laatje in het nachtkastje. De familiejuwelen hadden daar tot voor kort ingezeten. Alsof ik aanvoelde dat het onmogelijke zou gebeuren. Ook het tweede laatje werd met een kreet in de tuin gesmeten, waarbij mijn echtgenoot het woord ‘kreng’ niet kon onderdrukken. Tenslotte tilde hij het hele nachtkastje tot boven zijn middel op, en in een uiterste krachtinspanning kwakte hij het kastje over de balustrade. ‘Mijn oma’, gilde ik.

Jaren later bleef mijn one-night stand voor mijn bed staan en keek verwonderd naar het overgebleven nachtkastje. ‘Mijn nachtkastje is aan de andere kant van het bed’, zei ik net iets te hard.

De drie teckels

Op papier ben ik leuker dan in het echt, maar elke vorm van fictie heeft een werkelijkheid nodig wil zij overtuigend zijn. Zo dacht de verteller toen hij zich aan zijn verhaal over de drie teckels zette. Even het verhaal, de protagonisten en de ruimte schetsen. God, de God van Nescio zag alles.

A Rebours stond boven de etalage, met daaronder bouw van violen, alten en celli ter verduidelijking. De matte vitrage ontnam het zicht aan de rest van de winkel, het atelier, een toonzaaltje, de deur naar de kelder en de winkel. Naast bouwer werkte er een illegale hulp in de huishouding die was blijven hangen, nadat haar hele familie was uitgezet.

De deur ging open. In stoet drie teckels, een jongeman en een lichtelijk struise dame, geëxalteerd in de mond. Beter een levende hond, dan een dode leeuw, dacht bouwer. Het schelletje van de deur maakte bouwer lichtelijk nerveus. Hij had zijn buik vol van die gefixeerde openingstijden die na een hevige, echtelijke ruzie waren vastgesteld. Bouwer omklemde met zijn ene hand een cello van een getalenteerde musicus, de andere hand hing willoos naast zijn lichaam. Alles is lucht en leegte, dacht bouwer.

De jongen gleed langzaam op het bankje dat naast de vitrinekast met violen stond. ‘De mond’ kwam bij de toonbank staan en wachtte totdat bouwer zijn ene hand had geleegd. Bouwer keek afwezig. Hij had geldzorgen.

‘Deze jongeman wil een instrument’, herhaalde de mond. Inmiddels waren de teckels gaan snuffelen in het achterliggende toonzaaltje, waarvan de deur op een kier had gestaan. Tussen teckels en violen ontstond een gemeenzame samenspraak, die binnen luttele minuten werd opgevoerd. ‘Mijn speeldiertjes’, verzuchtte bouwer en liep verontrust naar het toonzaaltje waar inmiddels een behoorlijk kabaal te horen was. Onwillekeurig moest bouwer denken aan de atonale muziek met stofzuigers die het radiootje het atelier diezelfde ochtend had gevuld. Bouwer werd boos. Hij hield niet van atonale muziek, zeker niet uit de mond van onderkruipsels en buikschuivers. Met een resolute beweging die niets aan twijfel overliet, dirigeerde bouwer de teckels uit het toonzaaltje. Bouwer hoorde Brahms op de achtergrond. ‘De romantiek’, ontsnapte nog net uit zijn mond, terwijl hij terugliep naar de winkel.

Al het nodige werd gedaan. Het huurinstrument werd zo gevonden. De aanbetaling was geen enkel probleem. Er werd een datum afgesproken en een formuliertje ingevuld. Bouwer leefde van huurinstrumenten die wat financiële zekerheid gaven. De markt was kapotgemaakt door Chinezen. Bouwer zag de mond gaan, de jongen en twee teckels. Toen hij verstrooid terugliep naar het toonzaaltje, vond hij de derde teckel dood op de grond. Het kammetje van een cello had gewonnen en de snaren striemden in zijn kopje.

Bouwer had wel meer vervelende klanten. De werkelijkheid is zoveel weerbarstiger dan de gecreëerde en verbeelde beschaving.

De Martelaere

In het Boeddhisme wordt ervan uitgegaan dat het bewustzijn zich niet beperkt tot de hersenen, de beelden die de inhoud vormen van ons bewustzijn. Op grond van onze (beperkte) zienswijze zouden wij menen dat het bewustzijn gerelateerd is aan ons ego, en ons het idee van afgescheidenheid geven, uitdrukking is van die afgescheidenheid, en dat het bewustzijn na ons sterven uiteenvalt. Pas dan zou volgens het Boeddhisme blijken dat deze zienswijze onjuist is. Dat ons bewustzijn veel ruimer is, en intact blijft na onze dood, en ons verbindt met alle existenties van deze wereld. Ik heb dat altijd een wonderbaarlijke veronderstelling gevonden. Dat we wezenlijk veel meer verbonden zijn met anderen, met de wereld, de natuur, maar dat onze geconditioneerdheid ons ervan afhoudt om er op deze manier naar te kijken. Misschien alleen in opperste momenten van geluk – in de overgave aan de ander – beleven we iets van het oplossen van onze afgescheidenheid. Patricia de Martelaere schrijft in haar prachtige essay Wat blijft, dat ik voor deze reis bij me heb en voorzie van notities en data: ‘Toen Hume (David Hume was een 17e eeuwse filosoof die veel geschreven heeft over causaliteit) op zoek was naar ‘iets’ in de verzameling van onze waarnemingsbeelden wat een positieve inhoud zou kunnen geven aan de identiteit van ons bewustzijn, moest hij jammerlijk vaststellen dat iets dergelijks niet te vinden was. Hij vergat echter te kijken naar het voor de hand liggende maar ongrijpbare: de lege ruimte ‘tussen’ de beelden, het niet-iets dat de oergrond vormt van de persoon die we zijn. Het probleem is natuurlijk dat deze ruimte, als leegte, niet afgebakend of begrensd blijkt te zijn, zodat ze geen basis kan vormen voor onze individualiteit, ons afgescheiden zijn van andere personen. Het ‘iets’ van onze beeldencollectie mag dan nog verschillen van andere collecties, in het ‘niets’ dat tussen de beelden ligt zijn alle collecties een en ononderscheidbaar.’ En nu komt het: ‘Voor het boeddhisme is dus echter geen probleem maar integendeel een feit, en zelfs het meest wezelijke feit van het universum: onze diepste identiteit is niet die van beelden die ons bewustzijn vullen, maar die van de leegte of het niets dat tussen de beelden ligt.’ Ik ben altijd weer overdonderd door de schoonheid van deze woorden, door de diepe kern die in het Boeddhisme ligt, door het weinige dogmatische van deze levensovertuiging (het Boeddhisme ziet zichzelf niet als godsdienst).