‘In het vieren van Kerstmis zit een zeker masochisme’, zei mijn vader onlangs. Nou is de man al twee decennia dood, maar de woorden lijken van gisteren. Terwijl ik de glühwein in de keuken inschenk, hoor ik wederom de bel. In de huiskamer is het even stil. Er valt een glas. De fijne motoriek van Maarten is laat op gang gekomen, te laat volgens sommigen. Het gekeuvel gaat genoeglijk verder, al hoor ik ook dissonante tonen. ‘Hoorden jullie ook een bel?’ Van tevoren heb ik geoefend. Het doorbreken van patronen is een tweede natuur. Op het juiste moment iets roepen om het noodlot af te wenden. Ik loop naar de gang en zie in het bobbeltjesglas het vertekende beeld van grootvader Joop. De man is notoir mopperaar al hoeft hij daar niet veel voor te zeggen. ‘Dat is gezellig’, slaat galmend door de gang. De voordeur staat even op een kier en slaat vervolgens met een harde klap dicht. Het ornament op het plafond zit losser dan ik dacht. In de huiskamer hoor ik het geluid van schoteltjes, een diepe zucht. De lichtvoetigheid van neef Frank wordt altijd met enige reserve ontvangen. ‘Wat ellendig van je werk, Frank.’ ‘Houden we het wel gezellig, jongens’, roep ik ingehouden als ik de woonkamer weer betreed. Frank wimpelt zijn ontslag weg. ‘Heeft zijn baan verloren aan de secretaresse’, fluistert er rond. ‘Stommerd’. Oudtante Riet, sinds jaar en dag hardhorend al moest zij van een gehoorapparaat niets horen, vraagt net iets te hard: ‘Is dat die blonde del?’ In de huiskamer wordt de stem van Riet bruut overstemd: ‘Nog meer glühwein?’ In de keuken ruik ik een aangebrand pannetje. Citroen en kaneel. Ik ren naar de keuken. Op de grond liggen twee kinderen van Maarten te spartelen. ‘Secreten, altijd geweest’, hoor ik iemand in de huiskamer zeggen. Het begrip synchroniciteit krijgt in dit familiaire schouwspel een wel heel pregnante betekenis, schiet door mijn hoofd. Ik hoor het tegen mijn studenten zeggen, al is het de inleiding op de thematiek van de familie Stastok of Kegge. Inmiddels zitten Kukelesaantje en Te grote broek pontificaal op de bank. Ik heb ze niet uitgenodigd. Ze moeten via de achterdeur zijn binnengehaald én –geslopen. ‘Ah, dat is gezellig’, hoor ik mezelf nogal huichelachtig uitbrengen. ‘Behoorlijke reis, jongen!’, klop ik hem net iets te hard op de schouder. ‘Nog steeds Arnhem?’ Ondanks zijn betekenisloze baantje op het archief van een grote verzekeraar in het oosten van het land, rijdt hij in veel te grote, geblindeerde auto’s alsof hij een pooier is van het geëlaboreerde soort. Zijn halfzus, toch nog altijd twee jaartjes voortgezet onderwijs, kijkt glazig het gezelschap in met net iets te lange wimpers. Afdakjes zijn fijn; ze behoeden je voor de regen als je voor de deur staat te wachten. ‘Dat had ik niet gedacht, lieverd. Glaasje glühwein?’ Ik loop weer naar de keuken en denk aan het voorval, een paar jaar geleden, waarbij de twee vaders van beide spruiten met elkaar op de vuist gingen, wat voor een behoorlijk tumult in de buurt zorgde. Plots wordt het nacht in huis. ‘Godverdomme, de stoppen!’ In het duister loop ik naar de meterkast, stoot mijn hoofd tegen de leuning en op de tast vind ik het schuifje waarmee de meterkast gesloten wordt. ‘Ik loop even naar de buren, de stoppen!’, gil ik vanuit de gang. De buurman is een fijne vent, hoor, daar hoor je me niet over klagen, maar als hij eenmaal aan het woord is … Enigszins schuw bel ik aan. De deur gaat direct open alsof hij al een week op me gewacht heeft. ‘Dag buurman, ik kom even langs om te vragen of je …’ ‘God kerel, kom binnen, dat komt nou goed uit. Ik heb het vanmiddag over je gehad toen ik bij de notaris zat. Dat je zo’n geweldige vent bent, staat altijd klaar, daar kan geen familie tegenop. Ik heb net glühwein opstaan, wil je nog wat vragen over het testament. Je weet toch dat ik een huisje in Frankrijk heb? Nou had ik gedacht…’ Beleefdheid brengt mij altijd weer in de problemen. ‘Ik kom alleen even vragen of je …’ Maar buurman is al naar boven gelopen en ik staar wat wezenloos naar buiten. Er valt sneeuw. Bij de buren hoor ik gestommel. Wat een lawaai, denk ik, voordat ik me realiseer dat ik mijn familie hoor. Als ik na een minuut of twintig – en een huisje in Frankrijk rijker – terugloop, begrijp ik dat er iets flink mis is met de familieverhoudingen. Stilstand is achteruitgang, moet je maar denken. De voordeur staat wijd open. Als ik de stop erin draai, hoor ik grootvader Joop gillend door het huis rennen. Oudtante Riet vind ik op de wc. Ze staat aandachtig met de toiletborstel d’r haren te kammen. Verder is er niemand. Ik zie nog net een geblindeerde auto met hoge vaart de laan uit rijden. Op de grond vind ik resten van een plant, zo lijkt het. Bij nadere bestudering blijken het paddo’s te zijn. Dat Te grote broek nou juist Eerste Kerstdag uitkiest om zijn clientèle uit te breiden. Volgend jaar maar buurman uitnodigen, denk ik, als ik het laatste glaasje glühwein achteroversla. Intelligentie wordt gekenmerkt door een natuurlijk onbegrip van het leven, zei ooit eens iemand tegen me.
TOM 🤣😂🤣😂
LikeLike